14 februari 2008

Darwin in de gebedsruimte

9 januari 2008

Een ritje in de lift.

‘Dat is precies wat ik hem heb verteld.’

‘Is dat niet voorbarig?’

‘Niet binnen deze termijn.’

‘De termijn die je voor ogen staat.’

‘De termijn die we met z’n allen hebben gedefinieerd.’

‘Hij ook?’

‘Hij ook.’

‘Dan is er toch iets mis met de termijn.’

‘Je diskwalificeert daarmee de hele groep.’

‘Precies. Dat zit me ook dwars.’

‘Ideeen?’

‘Je hoort ze wanneer ik ze heb.’

Stilte. De liftdeuren openen zich.

Er komt een lange blanke man bij staan die ‘goedendag’ zegt voordat hij zijn plaats inneemt naast de twee mannen die blij lijken te zijn dat ze weer verder kunnen gaan met hun tête-à-tête. De lange blanke man ziet eruit als een professor in de Engelse letterkunde. De deur opent zich. De twee mannen stappen uit. Twee donkere studenten komen naar binnen. Een is Aziatische. Van de ander weet ik het niet. Ze zou Friezin kunnen zijn. Ze lachen, komen niet bij van het lachen. Ze kijken ons niet aan en als de een wil stoppen met lachen, neemt de ander het weer over zodat ze beiden in een nieuwe stuip komen te liggen. De lange man ondergaat dit tafereel onaangedaan. Hij heeft maanden, jaren geoefend om zo achteloos mogelijk de opwaartse en neerwaartse gang in de lift te doorstaan en die kunde gaat hij hier niet opgeven omdat twee tweedejaars studenten een lolletje hebben. Elke dag, zo lijkt het, doorstaat hij de gang in de lift met dezelfde krampachtig volgehouden zelfcontrole. De lift opent, hij verlaat hem zonder goedendag te zeggen. De twee meisjes bedaren. Ze lachen niet meer nu ze met mij alleen staan. Dan proest één het uit maar voordat de ander het kan overnemen staan ze buiten op de begane grond. De lift loopt vol studenten – rechtenstudenten, filosofiestudenten, letterenstudenten, theologiestudenten en een verdwaalde student in de geneeskunde. Hoe meer er binnen komen, hoe stiller het wordt. Is er een wetmatigheid zichtbaar die we kunnen meten? Neemt het gespreksvolume af naarmate er meer mensen op die paar vierkante meter samenpakken? In deze lading wordt geen enkel woord geuit, niet eens een woord van dank. Op de elfde stapt de laatste uit, draait zich om en roept: ‘verkeerde etage,’ maar de lift sluit de deuren en schuift naar beneden. Een man komt binnen met zijn tas in zijn rechterhand en een appel in de linker waarvan hij steeds een hapje knabbelt wanneer de deuren zijn dichtgegaan. Als hij uitstapt is de appel een stuk kleiner geworden maar nog niet volledig verdwenen. Dat komt wel op weg naar buiten. 

‘Als je een kopie wilt hebben moet je bij Mark zijn,’ zegt een jongen tegen een meisje. ‘Hij heeft ze liggen. Waar weet ik niet, maar hij heeft ze.’

‘Hij houdt niet van uitlenen,’ zegt ze.

‘Mij leent hij altijd.’

‘Toch maar proberen,’ en ze blaast de lok voor haar hoofd weg. De lift schiet naar boven, naar de achtste.

Daar stappen twee vrouwen in.

‘Het duurt maar een half uur.’

‘Ik heb nooit eerder gemediteerd.’

‘Zo overleef ik de dag hier, door te mediteren.’

‘Je moet toch overleven.’

‘Op de een of andere manier. Sommigen drinken koffie, anderen eten zich ongans. En de meerderheid lijdt in stilte.’ Ze zegt het laatste alsof ze heel lang die meerderheid heeft geobserveerd. Ze zegt het alsof lijden in stilte een wezenskenmerk is van de meerderheid.

‘Ik ben benieuwd.’ Ze stappen op de begane grond uit. De lift is leeg. Voor het eerst sta ik alleen in deze lift. Vanaf de begane grond tot de 12e verdieping staat de lift geen enkele keer stil. Het voelt geweldig.

1 november 2007

een spleetje tussen je vingers

De eerste film die ik zag was King Kong. Althans: gedeelten ervan, want ik herinner me dat ik grote gedeelten van deze film met de handen voor de ogen keek, af en toe door een spleetje tussen mijn vingers loerend naar de grote aap die het Empire State Building bestormde. Een andere favoriet was de gewelddadige Rambo; de Amerikaan die voor eigen rekening leeft en vecht en opgejaagd wordt door de altijd lastige staat. Daarvoor op de vlucht in de Verenigde Staten zelf, blijkt hij later, in Rambo 2 of 3, te zijn uitgegroeid tot de enige Amerikaan die in Afghanistan de mujahideen (inmiddels getransformeerd tot de taliban) van dienst kan zijn in de strijd tegen de grote Russische Beer. Het waren inderdaad andere tijden. Sowieso kon Sylvester Stallone niet stuk voor mij, vooral niet wanneer hij zijn vuisten gebruikte in het uitstekende Rocky 1 en alle middelmatige Rocky’s die erna kwamen. Dat Stallone in Rocky een eitje rauw in een glas gooit en opdrinkt om aan zijn portie eiwitten te komen, spoorde me aan hetzelfde doen. Ik hield het bij één keer; zo sterk hoefde ik toch niet te worden. Dan waren er de grote hoeveelheid Bollywoods die we als familie gezamenlijk op zondag bekeken. Familiefilms vol avontuur, passie, liefde voor de moeder, dood en doodsverachting, made in India. De liedjes en dansjes die tussen de kuise liefdesscène’s heen werden afgespeeld waren aanstekelijk en menigmaal heb ik in een eigengemaakte choreografie mijn hele familie als in zo’n film laten dansen. Een andere held vond ik in de watervlugge Bruce Lee. Ik deed hem na en gebruikte mijn broertje van vijf als sparringpartner. Hij moet er tot op de dag van vandaag nog hinder van hebben in zijn spieren. Ik kan geen poster van Bruce Lee voorbij lopen of ik schiet in de vechthouding. Een druk baasje was ik met een voorliefde voor de romantische held die eenzaam en alleen, onbegrepen en vol ongekende kracht door het leven gaat. Dus was Superman een lievelingsfilm. Gelukkig maar voor mijn algemene ontwikkeling was er ook nog zoiets als de intellectuele film. Je kan niet je hele leven een half ontblote man blijven nadoen. Op de VPRO bekeek ik Novecento van Bertolluci, een film over het opgroeien van twee jongens die in 1900 worden geboren in het rurale Italië. De een wordt communist, de ander fascist, maar het was vooral het relaas van de boerenjongen dat me interesseerde. De armoede die hij doormaakt op het platteland, de familiaire warmte, de manier waarop de vader probeert de honger van zijn kinderen gestild te krijgen. Het was allemaal erg dramatisch verbeeld en bracht mijn geboortedorp, Ighazzazzen, dichtbij. Hadden mijn ouders ook in zo’n schaamtevolle toestand geleefd? En zou mijn vader ook communist zijn geworden in plaats van gastarbeider? Een hoogleraar marxisme in plaats van slager? Pulp Fiction was de eerste film die ik zag waarvan ik vond dat hij beantwoordde aan alles wat ik graag in een film zag: verrassende cameraperspectieven, zogenaamd banale dialogen die het verhaal toch voortstuwen, veel, heel veel humor en een spel met het register van filmgenres. Als ik soms in de supermarkt langer moet wachten dan ik zou willen, citeer ik zachtjes voor me uit de dialogen van de twee gangsters in de wagen op weg naar een klusje. In Leiden was er ook een filmhuis en elke maandagavond was er een klassieke film. Op de eerste avond die ik bezocht in het kader van mijn intellectuele Überontwikkeling zag ik Chien Andalou van Bunuel. Beelden gesneden door andere beelden; donker en licht die met elkaar vechten om voorrang; de schokkende scène van het oog dat in contact komt met een scheermes. Een oude reflex kwam terug: ik schoof mijn handen voor mijn ogen om door het spleetje wat beeld toe te laten. [Dinsdagavond 6 november a.s. vertelt Abdelkader Benali over zijn filmische voorkeuren in ‘Cinema Benali’. De Griffioen, Uilenstede, 20:00 uur.

20 oktober 2007

de ontbrekende student

Witte liefde, zo heet het boek van de schrijfster Wanda Reisel die we op deze mooiste herfstdag van het jaar bezoeken. Een boek over een geheime liefde in de jaren vijftig. De hoofdpersoon is Rosa, Ro Muller, de echtgenote van een architect die op het eiland Curaçao huizen komt bouwen. Over haar heeft Reisel geschreven, een hoofdpersoon geïnspireerd door het verleden van haar moeder op datzelfde eiland. Wij bezoeken haar thuis. Haar woonkamer heeft uitzicht op de kade, bootjes zijn aangelijnd, net als de luxe jachten in de haven van Curaçao, het toneel van haar boek. De studenten zijn op de fiets gekomen. Een iemand had een lekke band maar was gelukkig nog op tijd. Een student komt niet opdagen. De hele tijd zal het door mijn hoofd spoken: waarom is ze er niet? Kon ze het niet vinden? Was het boek haar teveel? Zit ze op Curaçao?

We worden ontvangen met nootjes en chocolade - Sinterklaas is niet ver weg meer en ook de Kerstman begint langzamerhand op toeren te raken - fris en jus en voor de volwassene onder ons een alcoholische versnaperingen. Biertje of witte wijn? Is dit studeren aan de VU? Dit is wel heel decadent maar de Boelelaan is ver weg.

Hoe is het om bij een schrijver op bezoek te komen? De vorige twee auteurs, Erik Menkveld en Dirk van Weelden verschilden als dag en nacht van elkaar. Van Weelden is een hardloper, snel als Hermes, een eloquente waterval, een storm die alleen maar toeneemt in kracht. Als we weg zijn dendert zijn stem nog in ons na, als een gedeclameerd gedicht net uit het hoofd geleerd. Een enkeltje naar Van Weeldenland. Fascinerend om naar te luisteren, ontregelend ook en uitputtend. Het lijkt alsof hij de spankracht van je brein wil testen. De studenten schrijven hun vingers blauw. Ze hebben nog niet geleerd dat luisteren het halve werk is en noteren een vorm van afmaken. Van Weelden lijkt met zijn tong de pennen te willen breken.

Erik Menkveld is een dichter en zo bedachtzaam, rustig en kristalhelder dat het voelt alsof je luistert naar een beekje dat af en toe aanzwelt in kracht, dan weer gaat liggen, waar blaadjes op drijven – een beekje in het zwarte woud, dat is Erik Menkveld. Zijn gevoelige ogen ontroeren de tekst die hij uitspreekt nog eens extra. Bij Van Weelden kregen we stroopwafels en koekjes, bij Menkveld Chinese nootjes en bier. En Wanda Reisel? Ik weet het bij binnenkomst nog niet. Haar stijl is flexibel, talig, je zou het virtuoos kunnen noemen. Is zij ook zo in haar spreken? Kom op, de deur gaat open. Daar staat ze. We zullen zien. De studenten nog onwennig maar minder onwennig dan de vorige keer. We installeren ons. We besluiten in de woonkamer te blijven zitten. Ik gooi chocolade en pinda’s achterover want ik heb energie nodig. Wanda Reisel praat over haar werk alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Schrijven alsof het de normaalste zaak van de wereld is, dat kunnen alleen schrijvers. Ze werkt intuïtief, haar brein staat nooit stil en ze heeft er het volstrekte vertrouwen in dat het verhaal op een gegeven moment komt. De stugheid en problematiek van Menkveld is ver weg. Niets lijkt haar moeite te kosten.

Buiten kleurt het licht de kades, de bootjes, de lucht zelf. Binnen vertelt Reisel over Curaçao, haar knappe moeder, de gesprekken die met haar hield in 1991 toen ze het eiland voor het eerst bezochten. Waar is toch die ene studente die niet is komen opdagen, zingt het door mijn hoofd. Wie gaat haar het verhaal van Reisel te vertellen? Reisel vertelt over de geliefde met wie haar moeder een relatie had. Een prachtige man moet het zijn geweest. Een Nederlander op Curacao, een macho. Het is deze man die haar denk ik op het spoor van de roman zette. Vragen worden afgevuurd, nog meer chocolaatjes naar binnen gewerkt. Dan staat ze op en pakt een dvd waarop filmpjes staan die haar ouders hebben gemaakt op het eiland, eind jaren veertig, begin jaren vijftig. Kinderen, een vrouw, een bijzonder aantrekkelijke vrouw. Dezelfde vrouw die het omslag van Witte Liefde siert. We kijken ademloos naar die filmpjes uit een verleden dat opvallend modern aandoet. Moderniteit en huiselijkheid gekleurd door de Carribische zon. Reisel zit ernaast en kijkt mee naar haar moeder. Ik kijk naar Reisel en zie een zelfportret met moeder. De schrijver die kijkt naar de held van haar verhaal. Deze middag is geslaagd. We nemen afscheid. Laten boeken signeren. Iemand moet het haar vertellen. Iemand. De ontbrekende studente moet dit filmpje ook zien zodat ze nog dichter op de huid van het hoofdpersonage van Witte Liefde kan komen. Bij deze. Reisel geeft de cameraman de beelden. Hier te zien. Voor de studente die ontbrak.

2 oktober 2007

Hij is een goede leerling maar…

Soms hebben prinsessen, ook de hele knappe en slimme, toch ongelijk. Prinses Maxima werd met tango binnengehaald in de Nieuwe Kerk en het hele land liet een traantje vallen bij zoveel overdonderende Argentijnse noten. Afgelopen week kwam ze met haar verslag van zeven jaar inburgeren in Nederland. Een beetje allochtoon doet dat privé maar omdat ze onze prinses is, kwam ze op televisie. Ze zei: de Nederlander bestaat niet. Daar zit je dan als Nederlander die de deur wagenwijd voor haar heeft opengegooid. Stank voor dank! Het is altijd wat met die buitenlanders. Zelfs wanneer ze van koninklijken bloede zijn. Er bestaat niet zoiets als een Nederlandse identiteit, ging prinses Maxima verder, waarna ze een hele rij zaken opnoemde die erop wezen dat de Nederlandse cultuur alive and kicking is. Een koekje bij de thee. Ramen zonder gordijnen zodat de Duitsers naar binnen kunnen kijken. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Dat soort dingen. De reacties waren gemengd: bravo’s en afkeuring, bijval en scepsis. Scepsis bekijkt de zaken een beetje van een afstandje en loopt daarmee het risico te laat te komen. De ervaring (bitter en wat minder bitterkoekjes) heeft me geleerd dat de Nederlandse identiteit wel bestaat, evenals de zwaartekracht en het financieringstekort. Er is namelijk een typisch Nederlands verschijnsel dat ik nog niet in die mate bij de Belgen, Fransen, Italianen, Marokkanen (die van daar, niet van hier), Libanezen, Koreanen (Noord & Zuid) heb waargenomen. Ze zouden er denk ik wel een moord voor doen om het te bezitten, alleen is het onmogelijk te vangen. Je moet er echt voor in Nederland leven. Kunt u het al raden? Als ik u deze drie mensen presenteer, weet u dan wat ze met elkaar delen?

1.

2.

3.

U komt er niet uit? Dan doet u niet hard genoeg uw best. Geestelijke luiheid is nergens voor nodig op deze blog. Kom op, u weet het best. Het zit ook in u. Het is u met de paplepel ingegoten. Al die personages in Sesamstraat lopen ervan over. Die muis, Pino en die rare hond. Vooral Bert die er zijn kamergenoot Ernie mee uit zijn slaap houdt. U zult zeggen: maar dat is Amerikaans, Bert en Ernie, dus dat kan nooit Nederlands zijn. Dat klopt en toch past die Ernie bij Nederland. Hij is geïmporteerd naar het land waar hij thuis hoort. Die meisjes in burqa die daar in vlekkeloos Nederlands zitten te vertellen wat hen dwars zit, op hoge toon alsof zij enkel en alleen het gelijk van de wereld hebben, alsof hun identiteit – hun individuele en dus ook religieuze want mensen die werkelijk geloven zien geen onderscheid – de gewoonste zaak van de wereld is. Heel Nederlands, die... Dan is er de bondscoach wiens naam inmiddels in menig Nederlandse huiskamer steeds minder vaak valt omdat hij, hoe zal ik het zeggen zonder dat woord prijs te geven, zo zijn eigen lijn trekt; niet lijkt te luisteren naar de Stem van het Volk, en met die priemende ogen dit communiceert: wat jullie ook zeggen, ik doe toch lekker waar ik zelf zin in heb en als daarmee het Nederlands elftal ten onder gaat: ulapula! En dan is er die derde, Wolfgang Amadeus Wilders, die zoveel verhitte reacties oproept met zijn boude uitspraken, heftige oneliners, zijn verbale bowlingballen waarmee hij Ali en alleman omver gooit. Ook hij, hoewel hij uit Limburg komt en dus eigenlijk niet meer echt Nederland is, bezit het. En Maxima heeft het nu dus ook, te horen aan de parmantige, vlekkeloze toon waarmee ze de vrijheid nam om in te gaan op de Nederlandse cultuur. Je hoeft dus geen spruitjeslucht te hebben geroken om het geïnhaleerd te krijgen. Een tijdje hier bivakkeren, borreltje in, borreltje uit en af en toe een buurthuis bezoeken is genoeg. Door haar toespraak onderstreepte ze dat ze als nieuwkomer precies datgene doet wat alle Nederlanders sinds mensenheugenis doen: zeggen waar het op staat, al raakt het kant noch wal. Wat heeft dit met de VU te maken? U was toch schrijver op locatie? Heeft prinses Maxima hier gestudeerd? Ik weet het. U bent kritisch maar geef me een momentje om tot mijn punt te komen. Ik veroorloof me deze vrijheid omdat ik zie, afgaande op de reacties op mijn weblog, dat de VU-student wat dat betreft ook uit hetzelfde Nederlandse hout is gesneden. Maar wat is dat ding dan, dat ik probeer te omschrijven? Ik zal het zeggen. Op de basisschool schreef mijn meester onderaan een zin die mijn vader duidelijk maakte dat ik verloren was voor het Marokkaanse passiviteitsbeginsel (namelijk: zolang jij niets doet of zegt, ben ik het ook niet van plan). Het stond er in een zin maar omvatte een heel leven, een project. Dit was de zin: Abdelkader is een goede leerling, maar eigenwijs.

Eigenwijs. Mijn vader begreep het: met mij was geen Nederland te bezeilen.

20 september 2007

de prinses op de universitaire erwt

De regering blogt één keer per jaar en dat doet ze op Prinsjesdag. Als je heel goed luisterde, hoorde je de wielen van de gouden kooi ratelen over de keien van het Binnenhof. Wat ging het komende jaar ons nu weer brengen aan lastenverlichting en -verzwaring, hypotheekrente-aftrek, inburgeringscursussen en brandveiligheid? In een berichtenstaatje lees ik dat Plasterk 2,5 miljoen uittrekt om het geweld tegen homo’s te bestrijden. Aan het einde van een van de kortste troonredes ooit kwam Balkenende naar buiten met de tekst dat het dak gerepareerd moest worden nu de zon scheen. Mijn eerste gedachte: is het dak dan kapot? En mijn tweede gedachte: schijnt vandaag de zon? Met dat laatste had hij wel gelijk want de zon scheen buiten volop. Het toeval wil dat schilders bezig waren in mijn appartementencomplex de plafonds bij te werken. Alleen het dak sloegen ze over want, zo hadden ze via de radio begrepen, dat ging Balkenende doen. Wat mij betreft komt er ook een aparte vermelding voor studenten en wetenschappelijk personeel in de Troonrede. Zij zijn ten slotte het geestelijk kapitaal van dit land, of ze dat willen of niet. De regering heeft besloten om meer geld uit te trekken voor onderwijs. Betere arbeidsvoorzieningen, hoger salaris, goede secundaire voorwaarden. Misschien ook weer kleinere klassen en de melk tussen de middag weer terug op school. Een hooggeleerde vriend van mij had als enig commentaar: ‘Ze doen dus alles behalve het probleem aanpakken: beter onderwijs geven.’ Hij wil daarmee zeggen dat onderwijs mensenwerk is. De docent kan alleen maar doceren als hij in een klimaat verkeert waarin gedoceerd kan worden. Een voorbeeld? Tijdens de opening van het academisch jaar werd de Onderwijsprijs uitgereikt aan een fantastische hoogleraar fysica, Ronald Griessen. Ik zeg fantastisch want met zijn Chriet Titulaerbaard, Eca0iunv1cag1j3gvcasajz6gcavrpo7j_2  lenig voorkomen en snelle pas (hij was in no time vanuit de zaal op het toneel, ik schat zijn marathontijd op 3 uur rond) ademde die man een mix van beta-wetenschappelijkheid en sportiviteit. Soort van doe-het-zelfSuperman. Daar lust de universiteit wel pap van en daarom is het goed dat hij de prijs heeft gekregen. Ik had even daarvoor mijn tirade tegen de zesjescultuur afgestoken en voelde me als Luther tegen de aflaten van de katholieke kerk: een beetje overdreven om de aanklacht zo ostentatief op een kerkdeur te timmeren, maar hij heeft wel een punt. De fysicus was het geheel oneens met mijn lezing. Hij vond dat de studenten juist wel hun best deden, dat ze juist wel het maximale uit hun intellectuele vermogens probeerden te halen. Er was beroering in de zaal. Wie had er nou gelijk? De winnaar van de Onderwijsprijs of de schrijver. Ik schrijf fictie, en de prijswinnaar houdt zich met de harde werkelijkheid dus de balans slaat duidelijk door in mijn nadeel. Maar net op het moment dat we dachten dat het verhaal zijn pointe had bereikt, kwam de verrassende conclusie: het feit dat er een cultuur van underachievers is ontstaan, is niet geheel en al op het conto van de studenten te schrijven. Het is een cultuur die de generatie van de jaren zestig heeft geschapen, een cultuur van ongebreidelde zelfontplooiing waarin de lat steeds lager is komen te liggen. Een verrassend mea culpa waar niemand echt aan kan ontsnappen omdat die situatie ons allemaal omvat; het is onze werkelijkheid of we het nu willen of niet. Daarom, vertelde de prijswinnaar, verbood hij leerlingen in de klas te eten en te drinken als was het een driesterrenrestaurant, een usance waar ik nog niet eerder van had gehoord. Voor minder krijg je in Iran de galg.

Samengevat: dat dak van Balkenende is verbale flauwekul, het gaat uitstekend met Nederland op zoveel fronten dat het land er soms misselijk van wordt en dat wordt dan het multiculturele drama genoemd. De analyse van de prijswinnaar is geen flauwekul maar juist hoogst relevant. Een pleidooi waar alle partijen iets mee kunnen. Docenten: geef het beste van jezelf. Studenten: vraag het allerbeste dat je kunt krijgen om boven jezelf uit te stijgen, zelfs wanneer je weet dat de tijd kort is en de studieschuld tikt. Balkenende, Plasterk en Bos: kom eens langs op de VU om deze processen van dichtbij te zien.

3 juli 2007

beetje pasta met veel saus

De mens is wat hij eet, zo luidt het uitgekauwde gezegde, maar de student lijkt vooral te zijn wat hij niet eet, zo ondekte ik bij mijn bezoek aan Uylenstede. Geen groente, geen fruit, geen toetjes, geen vlees – in ieder geval niet als zodanig herkenbaar, gehakt daargelaten – geen kip, geen rijst, geen aardappelen, geen bonen, geen ingewikkelde sauzen, geen wijn, geen bier, geen soep vooraf en geen koffie na afloop. Wat blijft er dan over? Wanneer de zon schijnt en hij scheen vandaag, dan strijken de zorgeloze studenten neer op het gras om de fik te steken in wat spare ribs en speklappen die vooraf zijn gemarineerd. Zij die andere zaken aan hun hoofd hebben blijven binnen en verwarmen hapjespan om daarin rul gehakt bruin te laten worden. In een ander wat dieper pannetje, vaak van minuscule grootte, wordt de pasta klaargemaakt. “Nee, ik houd de kooktijd niet bij,” zegt een studente. “Het moet vanzelf gaan.” Het moet vanzelf gaan. Zo kunnen leven, wat een heerlijke staat van genade, en zo leven ze ook. Dan worden er nog wat champions en courgette aangesneden en in de pan gedaan. Iemand anders probeert voor een keertje ravioli en mijn timide gastvrouw warmt een prakje op van afgelopen donderdag, alweer vijf dagen geleden. Men is dol op saus, maar liever geen zelfgemaakte. Gewoon uit een pot. De prangende vraag luidt: word je een bewuste eter als je gaat studeren? Het antwoordt luidt onverkort nee. Zelfs zij die zich vanuit de studie bezig houden met gezond leven en gezond eten -- en daarvan zijn er nogal wat op Uylenstede--, verklaren met schaamrood op de kaken dat ze aan het einde van de dag toch pizza boven spinazie, broodje hamburger boven griesmeel prefereren en allemaal hebben ze een broertje dood aan bietjes, ja, vanwege die zandsmaak De schrijver op locatie heeft inmiddels zelf honger gekregen van al dat intense gepraat over eten wat de pot schaft. Voor hem vanavond geen pasta of borito. De grootste tbone steak die hij krijgen kan om zijn frustratie over het ontbreken van culinaire vooruitgang in deze streken eens goed af te reageren. Tijdens het kauwen zal ik aan mijn studenten denken.

bericht aan een zesje

Bericht voor een zesje

Jullie zijn zo goed gekleed dat ik soms de ingang van de universiteit verwar met een catwalk. Jullie zijn in het bezit van de laatste snufjes op het gebied van mobiele telefonie, laptops en fietsen. Ik kom jullie overal tegen: in supermarkten achter de kassa, met of zonder hoofddoekje, achter de interruptiemicrofoon van een congres over de gematigde islam waar jullie de vroege soera’s uit de Koran terugvertalen naar de tegenwoordige tijd, tijdens borrels waar jullie met één hand de fles Zuid-Afrikaanse rode wijn ontkurken en met de andere hand een glas inschenken, in het bruine café op vrijdagmiddag diep in gesprek over de nieuwe Kluun, tussen de luxe appartementen van Uilenstede waar jullie met z’n vieren – archeologiestudenten – de barbecue aan het opzetten zijn die tot laat in de avond zal duren (het onvermijdelijke biertje in de hand). Jullie zijn in staat om een c.v. te verzinnen van de rest van je leven nog voordat er ook maar een uur betaald werk is verricht. En wat me ook niet meer verbaast is het gemak waarmee jullie praten over de verschillende netwerkjes waarin jullie je manifesteren, de hoeveelheid pakken die in de kast hangen en de snelheid waarmee jullie het gesprek van de explosieve situatie in Irak naar de vette situatie in de snackbar overhevelen. Jullie zijn de generatie die het wel best vindt dat leeftijdgenoten in Uruzgan een militaire expeditie ondernemen die de staatskas meer en meer kost, hun leven geven voor een groot project dat, want jullie zijn goed ingelicht, een mix moet voorstellen van vredebewaring en ordehandhaving . Wanneer jullie in je kamertje zitten, lui op de bank met een bord pasta op schoot, schieten de beelden voorbij van tanks en soldaten maar het is ver weg en de zomer is nog lang. Jullie zijn, volgens onderzoekers, de generatie van de zesjescultuur en ik moet, hoewel iets in mij zich daartegen verzet – mijn afkeer van generalisaties, mijn afkeer van statistieken en onderzoeken – ze gelijk geven: tijdens mijn eerste half jaar op deze universiteit heb ik in niets gemerkt dat jullie afwijken van de omschrijving die jullie is gegeven: zesjescultuur. Voelt dat niet als een klap in je gezicht? Kan er op zo’n kwalificatie weer trots groeien? Ik merkte dat tijdens colleges die ik gaf waarin jullie je de dingen maar lieten aanleunen. Er komt iemand om te vertellen en wij zijn er om te luisteren. Daarmee wordt de toon gezet. Liever zitten jullie stil de uurtjes door te komen dan energie te verspillen aan iets dat je morgen toch weer vergeten zult zijn, laat staan dat je het volgend jaar nog weet. Als er echt een uitdaging wordt gesteld die buiten jullie directe belang valt dan krijgt dit het vernietigende predikaat “vaag”. “Het was te vaag, daarom heb ik het niet gelezen.” “Het is vaag, waarom zou ik dit moeten studeren.” “Deze hele boel is vaag.” Hadden de vorige generaties andere woorden als “gaaf”,“cool”, “suf”,“doods”, jullie zijn vaag. Jullie hebben het zelf verzonnen en het karakteriseert jullie ten voeten uit: vaag.

Ik merk ook dat jullie docenten inmiddels gewend aan jullie zijn geraakt. Jullie hebben ze betoverd. Of hebben jullie ze geterroriseerd met jullie dreigement elke keer dat de docent niet jullie wijsje wil spelen, het zwaard van de vaagheid over ze te zullen laten vallen? Jullie kennen je macht want de universiteit beschouwt jullie als een huisdier met hoge eisen maar wel low maintenance. Zijn jullie eenmaal binnen dan hebben ze geen kind aan jullie. De universiteit heeft een haat-liefde verhouding met jullie: hoe graag hebben ze jullie binnen hun muren, met hoeveel onverschilligheid, afkeer en overdreven beschermzucht worden jullie bekeken. Jullie kwispelen op het juiste moment, liggen stil op het juiste moment en jullie laten jezelf uit. Het is niet eenvoudig om een huisdier te zijn. Op deze wijze verdient de universiteit wat en zo vertrekken jullie opgelucht en bevrijd met dat welverdiende papiertje op zak de wijde wereld in. Jullie gaan die wereld veranderen in een prachtig zwembad waarin alleen zesjes het hoofd boven water kunnen houden. De achtjes zinken, de viertjes dobberen maar wat. Alleen een zesje houdt het hoofd opgeheven en slaat er een slag naar.

De vraag is natuurlijk: hoe doen jullie dit?
De sleutel ligt denk ik in de milde zelfspot waarmee jullie je eigen plek in de wereld bekijken. En jullie nemen ook die wereld met een flink korreltje zout, want als jullie het niet doen, wie moet het dan doen?

De wereld kan vergaan in een dag, de wereld zal niet vergaan in een dag, de apocalypse is, ondanks de stelligheid waarmee de heilige boeken hem aankondigen, nog altijd een twijfelachtige zaak, dus waarom woede en verontwaardiging en frustratie de overhand laten nemen over je opgewekte humeur, over de aanschijn van je nieuwste Prada tas en de mooie kleur die je hebt opgedaan in de zuidelijke streken van de Middellandse Zee? Alles wat jullie doelen in de weg staat moet en kan vakkundig geelimineerd. Jullie zijn de scherpschutters van je eigen geluk! Zelfs de opwarming van de aarde kan jullie weinig deren, want, zo hoorde ik een van jullie zeggen, betekent niet hogere temperaturen niet gewoon meer zonuren dus meer zonne-energie voor jou en mij?

Waar komt dat overrompelende zelfvertrouwen vandaan? Ik besefte dat jullie uitgaan van tien affirmaties die jullie elke dag, als vrome monniken gekleed in Diesel, keer op keer herhalen. Dit zijn ze:

  1. Ik ben nog jong. Alhamdullilah (Arabisch voor Thank God!)
  2. Wat ze ook vinden van mijn identiteit, wat ik vind van mijn identiteit kan nooit op een leugen zijn gebaseerd.
  3. Massa’s kunnen gemanipuleerd worden maar de hoogte van mijn bankrekening niet.
  4. Ik ben alleen loyaal aan de vlinders in mijn buik.
  5. Okay, er vallen bommen in Irak, terrorisme is overal, de beurzen doen nerveus, de melkprijzen stijgen maar hoe komt het dan toch dat ik kansen blijf zien in China?
  6. Ik ben nu student aan de universiteit. Respect.
  7. Er is iets diep in mij dat mij voortdrijft. Het staat buiten de wetenschap maar put er ook uit. Het kan wel tegen een cynisch stootje. In poezie herken ik het terug. Het zorgt voor de glimlach op mijn gezicht en verdriet om leed dat onschuldige mensen wordt aangedaan. Ik kan er mee naar de sterren kijken (een telescoop) als inzoemen op een menselijke cel. Het is meer dan een kompas, het is een vorm van licht. Ik herken het van tijd tot tijd in anderen wanneer het wordt prijsgegeven. Het is onzichtbaar en toch onverklaarbaar aanwezig. Dit ben ik.
  8. Ik houd niet van vaag gelul.
  1. Waarover men niet spreken kan, moet je juist wel praten.

En de laatste:

  1. Pak me dan als je kan!

Ik hoop jullie hiermee recht te hebben gedaan. Ook ik heb gezegd.

14 juni 2007

Aanstelling Benali levert te weinig op

Er hangt een ziekenhuislucht in de hal van de VU. Waar is iedereen toch? Waar zijn alle studenten gebleven die altijd op die lange houten bank zitten, met elkaar kwebbelen, op een bus wachten die niet komt? Waar zijn de mensen die altijd folders staan uit te delen? Ook de boekhandel leeg. Bijna vijf maanden nu ben ik door deze gang gelopen richting de lift om boven op de achttiende etage te komen. Twee studenten spreken me aan op het moment dat ik de fototentoonstelling in het exposorium aan het bekijken ben, beneden in de hal. ‘Komt u een keertje kijken bij onze studentenvereniging?’

‘Geen probleem,’ zeg ik en stop ze mijn visitekaartje toe. Ik pak de Ad Valvas en spreid die uit op mijn kamer die uitkijkt over het Amsterdamse Bos. Journalist Peter Breedveld, die de krant zo’n beetje in zijn eentje volschrijft, meldt dat het bezoek van de Arabische filosoof Sadik al-Azm aan de VU geen groot succes is gebleken. Volgens sommigen heeft dit met diens atheïsme te maken. Bij islamitische studenten ligt dat moeilijk, al verklaart het niet waarom die studenten er geen probleem mee hebben naar niet-Arabische atheïsten te luisteren. Er waren wel veel bezoekers, er was evenwel geen aandacht voor deze eminente geleerde in de media. Dat je over het gebrek aan media-aandacht voor een bezoekende professor een halve pagina kan volschrijven, vind ik knap.

Tijdens zijn bezoek aan de VU heb ik Sadik twee keer ontmoet. Het is een grote man met grote handen die af en toe de grote bril op zijn neus herschikken. Geen man voor kleine ideeën. De eerste ontmoeting was op zijn kamer, de tweede keer tijdens een islamdebat waarin ik zelf een klein rolletje mocht spelen. Kleine rollen liggen me beter dan grote rollen, al was het maar omdat ik niet over de mimiek beschik die bij grote rollen past. Breedveld heeft gelijk: het betoog van al-Azm is zo taai als Syrische biefstuk. Je moet zo’n beetje de halve Westerse en islamitische filosofie in je bagage hebben om het te kunnen volgen. Een ander punt van kritiek, volgens Breedveld, is dat de debatten waar Sadik al-Azm aan deelnam weinig concrete voorstellen opleverde. Zijn we toch weer in Nederland: als zo’n intellectueel avondje niet op z’n minst drie voorstellen voor dijkverzwaring en een uitgewerkt plan ter bestrijding van het stijgen van de waterspiegel oplevert, is het allemaal voor niets geweest. Maar geen dijk die de tsunami’s van moslims tegenhoudt, zou je zo zeggen. En de koude populistische wind die op dit moment over dit land waait, blaast die mooie golven eerder op dan dat ze die tot bedaren brengt. Peter Breedveld zou zo een stuk over mijn aanstelling hier kunnen schrijven. Onder de kop:

Aanstelling Benali levert te weinig op

‘Hij was er wel, maar we zagen hem nooit,’ is de reactie van de 24-jarige theologiestudent Willem Kakel. ‘Ik heb meerdere malen de interculturele dialoog met hem opgezocht, maar hij gaf niet thuis. En ik ben niet goed in monologen.’ De studente Latijn Martina Navarra zag hem wel eens zitten in de mensa. ‘Maar dat kan ik ook, een beetje daar gaan zitten eten. Daar hoef je geen schrijver op locatie voor te worden.’ Op de vraag of mensen zijn weblogs wel eens lazen, antwoorden de meesten met een ‘nee.’

‘Ik ga meteen kijken,’ zegt Karma Middelburg. Vijf minuten later is ze terug. ‘Een beetje teveel over allochtonen naar mijn smaak. Het is heus niet zo dat op deze universiteit alleen maar buitenlanders zitten. Zwarte universiteit vind ik echt overtrokken. Die paar hoofddoeken stellen niets voor.’ Sommige studenten hebben de schrijver op locatie bij het islamdebat gezien, maar kunnen zich niet meer herinneren wat hij precies heeft gezegd. ‘Ik moest wel lachen, maar waarom weet ik niet meer. Het is ook zo lang geleden. Het debat is inmiddels weer veranderd, en de islam trouwens ook.’ Sommige studenten reageerden negatief, alleen wilden ze niet onder hun eigen naam reageren. ‘Hij is te negatief over Marokkanen en moslims. Hij doet het om door witte mensen geaccepteerd te worden,’ zegt een studente rechten.

‘Is er dan niets positiefs?’ Er komt een student bijstaan. ‘De VU is een echte Geert Mak-universiteit. We willen geen gedoe aan ons hoofd. Discipline en regelmaat staan hier hoog in het vaandel. Als Benali harde ideologen wil tegenkomen, moet Benali maar naar Utrecht. Het kan ons niets schelen dat we softies zijn. We kiezen liever de middenweg dan de polarisatie. En als hij grappen en grollen wil maken, moet hij maar naar de UvA. Daar lusten ze hem rauw. Ik hoop dat je dat opschrijft en mijn woorden niet verdraait.’ Het meisje knikt instemmend.

‘Er zijn zoveel zaken om over te schrijven. Waarom elke keer weer over ons.’ Breedveld sluit het stuk af met de mededeling dat de schrijver na de zomerstop een aantal schrijversbezoeken met studenten Nederlands zal ondernemen. Er kan nog op ingeschreven worden. Elk bezoek levert studiepunten op. De schrijver op locatie hoopt op een hoge opkomst van atheïstische moslims.

1 juni 2007

Op bijna wetenschappelijke wijze

Het was maandagochtend. Vier studenten religie-wetenschappen vulden mijn kamer om met me te praten over de vijf zuilen van de islam. De vijfde student had afgezegd. Vier studenten om over vijf zuilen te praten. De eerste vraag was: wat betekent de eerste zuil voor u? De geloofsbelijdenis. Er is maar een God en Mohammed is zijn profeet. Ze vroegen of ik een praktiserend moslim was. Ik vertelde dat ik de geloofsbelijdenis wel had gedaan, met veel enthousiasme zelfs. Ik deed het de studenten voor, een rechterwijsvinger in de lucht en hardop citerend. De geloofsbelijdenis was mijn claim to fame voor het geloof. Daarna was de klad erin gekomen. Drank, vrouwen, literatuur, vakanties aan het strand en patatjes met. Ze vroegen hoe het zat met de tweede zuil: het gebed. Vijf keer per dag. In de Ramadan ging ik met mijn vader naar de moskee. Alle mannen hadden één ding gemeen: ze hadden allemaal hun schoenen uitgetrokken. De hele tijd vreesde ik dat ik mijn schoenen bij het weggaan niet meer zou terugvinden. Ik probeerde de hele tijd mijn schoenen te visualiseren. Voor geen goud wilde ik in de schoenen van iemand anders gaan staan. De avond ging snel voorbij en met een uitgedeelde dadel in mijn mond verliet ik de moskee. Hoe zit het met de derde zuil, meneer Benali? De Ramadan. De heilige vastenmaand. De maand waarin alle moslims zichzelf het meest moslim voelen, al was het maar omdat het zo lang duurt. Voor mij, zo vertelde ik, is de Ramadan de praxis van de islam in een notendop: vol goede bedoelingen die ontaarden in schandalige schranspartijen. En dat elke dag, een maand lag. Je zag je vrienden langzaamaan verbleken tijdens de Ramadan. Ze vinden het een prachtige maand, dat wel, mijn vrienden. Veel gezelligheid en warmte aan de familietafel. Ossenstaartsoep heeft me daarna nooit meer zo goed gesmaakt. Ik vertelde dat ik elke jaar weer hoorde dat sommige moslims met de Ramadan een beetje de hand lichten. Dat houden ze dan wel voor elkaar verborgen maar het gebeurt. Hoe zit het met de vierde zuil, de zakaat, de verplichte aalmoes aan de armen? Ik zei dat in de zakaat het gemeenschapskarakter van de islam het best naar buiten komt. Door aalmoezen te geven, verrijk je de armen. Je toont aan dat je verantwoordelijk voor elkaar bent en elkaar moet helpen. Soms win ik een klein geldbedrag als ik als derde of tweede ben geëindigd in mijn leeftijdscategorie in een hardloopwedstrijd. Ik schaam me rot voor dat geld, alsof het zwart geld is. Van dat geld moet ik af en dus wordt het zakaat. De vijfde zuil is die van de bedevaart naar Mekka. Het is eigenlijk een beloning voor het harde werk dat je als moslim hebt verricht. Als je je leven lang een goed moslim bent geweest of het tenminste hebt geprobeerd want God is genadevol en barmhartig, dan mag je naar Mekka. Je komt terug en je wordt door mensen die je helemaal niet kent een haj genoemd, iemand die op bedevaart is geweest. Het was inmiddels maandagmiddag geworden, zo voorspoedig was ons gesprek gegaan. De vijf zuilen waren op bijna wetenschappelijke wijze afgewerkt. Jammer dat de vijfde student er niet bij had kunnen zien om het wonder te aanschouwen.