Stel je voor: je bent arts in opleiding, kersvers van de VU. Vol van jezelf en wat anderen van je vinden. Wanneer je het klaslokaal binnenkomt begint iedereen spontaan te grinniken. Een knipoogje hier, een duimpje de lucht in daar en je dag kan niet meer stuk. Je bent nooit te beroerd om je Coca Cola Light te delen met een goede vriend. En als er een paar sms’jes verstuurd moeten worden sta je altijd klaar. Op een dag ga je de grote wereld in. Je wordt op je eerste spreekuur in een gezellige, multi-etnische wijk als Bos en Lommer geconfronteerd met een Marokkaanse vrouw die vertelt dat ze pijn heeft. Gesluierd, lange jas tot over de enkels en met ogen die zich aan je vastzuigen alsof jij het elixer tot eeuwige genezing bezit. Je luistert. Dat kan jij namelijk goed, luisteren. Alle je vrienden zeggen het. Chronische pijn, begrijp je. Haar Nederlands is gebrekkig. Het had ook Zweeds kunnen zijn maar je bent wat gewend. Ook autochtonen maken er een potje van. Pijn in de knieën. Pijn in de borst. Je schrijft, zoals je geleerd hebt, wat pijnstillers voor en denkt dat daarmee de pijn verdwijnt. Je vertelt er ook nog bij dat ze goed moet slapen. ’s Avonds ga je fluitend naar huis. Het leven is goed. Maar ze komt terug, een maand later met weer dezelfde klacht. Stukje bij beetje, want zo gaat dat in een drukbezochte praktijk waar je niet meer dan vijf tot tien minuten tijd hebt voor elke patiënt, kom je erachter dat die chronische pijn minder chronisch is dan gedacht. Het hoofd is er ook bij betrokken. De moeder neemt een buurvrouw mee die het Nederlands wat beter machtig is, en vertelt je dat het thuis niet botert met haar kinderen. Die kinderen liggen ook nog eens met elkaar overhoop en de heer des huizes soupeert al het geld op aan weet zij veel wat. Je vraagt je af: zou het niet beter zijn als deze vrouw met iemand ging praten, zou het niet kunnen dat de pijn die zij voelt voortvloeit uit het gedonder thuis? Maar hoe maak je dan de sprong van sociale pijn naar lichaamspijn? Je ziet dat de vrouw veel van je verwacht. Als jij die verwachtingen niet waar kan maken, dan stapt ze wel naar een fqih, een Marokkaanse medicijnman die ze tijdens haar jaarlijkse zomerverblijf bezoekt en die haar een mengsel van gedroogde hagedisstaart en schorpioentranen zal voorschrijven. Beetje water erbij en in kleine teugjes opdrinken. Jij kunt haar natuurlijk niet tegenhouden de fqih te bezoeken. Het heeft je zoveel moeite gekost de juiste uitspraak van fqih te leren, dus de fqih mag blijven. Zwaardere medicijnen voorschrijven om de pijn te stillen wil je ook niet, want dat zet uiteindelijk geen zoden aan de dijk. Wat wel zou helpen is als zij met haar kinderen gaat praten en als die kinderen weer met hun vader gaan praten, maar dat klinkt meer als een fantasie. Een overspannen verwachting. Langzaam begin je je verwachtingen bij te stellen van wat mogelijk is en niet mogelijk met de zieke mens. Problematisch wordt het helemaal als de patiënt jouw analyse niet deelt, nog problematischer als je je analyse op geen enkele manier aan de patiënt kunt uitleggen. Jij wilt door de situatie te begrijpen, te verhelderen, stap voor stap uitkomen bij de conclusie dat zij uiteindelijk zelf verantwoordelijk is voor de positie waarin ze zich bevindt. Zij wil dat de pijn weg gaat zodat ook het probleem opgelost is. Allebei vertrouwen jullie, tegen beter weten in, in de goede afloop. Ziedaar, het multiculturele drama in een notendop: het wel zien, maar niet kunnen oplossen; het niet zien, en ten koste van alles een oplossing willen. Zelfs als daarvoor hagedissen vermalen moeten worden. Je vraagt je af of je tijdens je studie hierop voorbereid had kunnen worden? Wie met zulke interessante dilemma’s geconfronteerd wil worden, moet medicijnen gaan studeren. Of Marokkaanse moeder worden.
Laatste reacties