Bericht voor een zesje
Jullie zijn zo goed gekleed dat ik soms de ingang van de universiteit verwar met een catwalk. Jullie zijn in het bezit van de laatste snufjes op het gebied van mobiele telefonie, laptops en fietsen. Ik kom jullie overal tegen: in supermarkten achter de kassa, met of zonder hoofddoekje, achter de interruptiemicrofoon van een congres over de gematigde islam waar jullie de vroege soera’s uit de Koran terugvertalen naar de tegenwoordige tijd, tijdens borrels waar jullie met één hand de fles Zuid-Afrikaanse rode wijn ontkurken en met de andere hand een glas inschenken, in het bruine café op vrijdagmiddag diep in gesprek over de nieuwe Kluun, tussen de luxe appartementen van Uilenstede waar jullie met z’n vieren – archeologiestudenten – de barbecue aan het opzetten zijn die tot laat in de avond zal duren (het onvermijdelijke biertje in de hand). Jullie zijn in staat om een c.v. te verzinnen van de rest van je leven nog voordat er ook maar een uur betaald werk is verricht. En wat me ook niet meer verbaast is het gemak waarmee jullie praten over de verschillende netwerkjes waarin jullie je manifesteren, de hoeveelheid pakken die in de kast hangen en de snelheid waarmee jullie het gesprek van de explosieve situatie in Irak naar de vette situatie in de snackbar overhevelen. Jullie zijn de generatie die het wel best vindt dat leeftijdgenoten in Uruzgan een militaire expeditie ondernemen die de staatskas meer en meer kost, hun leven geven voor een groot project dat, want jullie zijn goed ingelicht, een mix moet voorstellen van vredebewaring en ordehandhaving . Wanneer jullie in je kamertje zitten, lui op de bank met een bord pasta op schoot, schieten de beelden voorbij van tanks en soldaten maar het is ver weg en de zomer is nog lang. Jullie zijn, volgens onderzoekers, de generatie van de zesjescultuur en ik moet, hoewel iets in mij zich daartegen verzet – mijn afkeer van generalisaties, mijn afkeer van statistieken en onderzoeken – ze gelijk geven: tijdens mijn eerste half jaar op deze universiteit heb ik in niets gemerkt dat jullie afwijken van de omschrijving die jullie is gegeven: zesjescultuur. Voelt dat niet als een klap in je gezicht? Kan er op zo’n kwalificatie weer trots groeien? Ik merkte dat tijdens colleges die ik gaf waarin jullie je de dingen maar lieten aanleunen. Er komt iemand om te vertellen en wij zijn er om te luisteren. Daarmee wordt de toon gezet. Liever zitten jullie stil de uurtjes door te komen dan energie te verspillen aan iets dat je morgen toch weer vergeten zult zijn, laat staan dat je het volgend jaar nog weet. Als er echt een uitdaging wordt gesteld die buiten jullie directe belang valt dan krijgt dit het vernietigende predikaat “vaag”. “Het was te vaag, daarom heb ik het niet gelezen.” “Het is vaag, waarom zou ik dit moeten studeren.” “Deze hele boel is vaag.” Hadden de vorige generaties andere woorden als “gaaf”,“cool”, “suf”,“doods”, jullie zijn vaag. Jullie hebben het zelf verzonnen en het karakteriseert jullie ten voeten uit: vaag.
Ik merk ook dat jullie docenten inmiddels gewend aan jullie zijn geraakt. Jullie hebben ze betoverd. Of hebben jullie ze geterroriseerd met jullie dreigement elke keer dat de docent niet jullie wijsje wil spelen, het zwaard van de vaagheid over ze te zullen laten vallen? Jullie kennen je macht want de universiteit beschouwt jullie als een huisdier met hoge eisen maar wel low maintenance. Zijn jullie eenmaal binnen dan hebben ze geen kind aan jullie. De universiteit heeft een haat-liefde verhouding met jullie: hoe graag hebben ze jullie binnen hun muren, met hoeveel onverschilligheid, afkeer en overdreven beschermzucht worden jullie bekeken. Jullie kwispelen op het juiste moment, liggen stil op het juiste moment en jullie laten jezelf uit. Het is niet eenvoudig om een huisdier te zijn. Op deze wijze verdient de universiteit wat en zo vertrekken jullie opgelucht en bevrijd met dat welverdiende papiertje op zak de wijde wereld in. Jullie gaan die wereld veranderen in een prachtig zwembad waarin alleen zesjes het hoofd boven water kunnen houden. De achtjes zinken, de viertjes dobberen maar wat. Alleen een zesje houdt het hoofd opgeheven en slaat er een slag naar.
De vraag is natuurlijk: hoe doen jullie dit?
De sleutel ligt denk ik in de milde zelfspot waarmee jullie je eigen plek in de wereld bekijken. En jullie nemen ook die wereld met een flink korreltje zout, want als jullie het niet doen, wie moet het dan doen?
De wereld kan vergaan in een dag, de wereld zal niet vergaan in een dag, de apocalypse is, ondanks de stelligheid waarmee de heilige boeken hem aankondigen, nog altijd een twijfelachtige zaak, dus waarom woede en verontwaardiging en frustratie de overhand laten nemen over je opgewekte humeur, over de aanschijn van je nieuwste Prada tas en de mooie kleur die je hebt opgedaan in de zuidelijke streken van de Middellandse Zee? Alles wat jullie doelen in de weg staat moet en kan vakkundig geelimineerd. Jullie zijn de scherpschutters van je eigen geluk! Zelfs de opwarming van de aarde kan jullie weinig deren, want, zo hoorde ik een van jullie zeggen, betekent niet hogere temperaturen niet gewoon meer zonuren dus meer zonne-energie voor jou en mij?
Waar komt dat overrompelende zelfvertrouwen vandaan? Ik besefte dat jullie uitgaan van tien affirmaties die jullie elke dag, als vrome monniken gekleed in Diesel, keer op keer herhalen. Dit zijn ze:
- Ik ben nog jong. Alhamdullilah (Arabisch voor Thank God!)
- Wat ze ook vinden van mijn identiteit, wat ik vind van mijn identiteit kan nooit op een leugen zijn gebaseerd.
- Massa’s kunnen gemanipuleerd worden maar de hoogte van mijn bankrekening niet.
- Ik ben alleen loyaal aan de vlinders in mijn buik.
- Okay, er vallen bommen in Irak, terrorisme is overal, de beurzen doen nerveus, de melkprijzen stijgen maar hoe komt het dan toch dat ik kansen blijf zien in China?
- Ik ben nu student aan de universiteit. Respect.
- Er is iets diep in mij dat mij voortdrijft. Het staat buiten de wetenschap maar put er ook uit. Het kan wel tegen een cynisch stootje. In poezie herken ik het terug. Het zorgt voor de glimlach op mijn gezicht en verdriet om leed dat onschuldige mensen wordt aangedaan. Ik kan er mee naar de sterren kijken (een telescoop) als inzoemen op een menselijke cel. Het is meer dan een kompas, het is een vorm van licht. Ik herken het van tijd tot tijd in anderen wanneer het wordt prijsgegeven. Het is onzichtbaar en toch onverklaarbaar aanwezig. Dit ben ik.
- Ik houd niet van vaag gelul.
- Waarover men niet spreken kan, moet je juist wel praten.
En de laatste:
- Pak me dan als je kan!
Ik hoop jullie hiermee recht te hebben gedaan. Ook ik heb gezegd.
Laatste reacties