‘Dat is precies wat ik hem heb verteld.’
‘Is dat niet voorbarig?’
‘Niet binnen deze termijn.’
‘De termijn die je voor ogen staat.’
‘De termijn die we met z’n allen hebben gedefinieerd.’
‘Hij ook?’
‘Hij ook.’
‘Dan is er toch iets mis met de termijn.’
‘Je diskwalificeert daarmee de hele groep.’
‘Precies. Dat zit me ook dwars.’
‘Ideeen?’
‘Je hoort ze wanneer ik ze heb.’
Stilte. De liftdeuren openen zich.
Er komt een lange blanke man bij staan die ‘goedendag’ zegt voordat hij zijn plaats inneemt naast de twee mannen die blij lijken te zijn dat ze weer verder kunnen gaan met hun tête-à-tête. De lange blanke man ziet eruit als een professor in de Engelse letterkunde. De deur opent zich. De twee mannen stappen uit. Twee donkere studenten komen naar binnen. Een is Aziatische. Van de ander weet ik het niet. Ze zou Friezin kunnen zijn. Ze lachen, komen niet bij van het lachen. Ze kijken ons niet aan en als de een wil stoppen met lachen, neemt de ander het weer over zodat ze beiden in een nieuwe stuip komen te liggen. De lange man ondergaat dit tafereel onaangedaan. Hij heeft maanden, jaren geoefend om zo achteloos mogelijk de opwaartse en neerwaartse gang in de lift te doorstaan en die kunde gaat hij hier niet opgeven omdat twee tweedejaars studenten een lolletje hebben. Elke dag, zo lijkt het, doorstaat hij de gang in de lift met dezelfde krampachtig volgehouden zelfcontrole. De lift opent, hij verlaat hem zonder goedendag te zeggen. De twee meisjes bedaren. Ze lachen niet meer nu ze met mij alleen staan. Dan proest één het uit maar voordat de ander het kan overnemen staan ze buiten op de begane grond. De lift loopt vol studenten – rechtenstudenten, filosofiestudenten, letterenstudenten, theologiestudenten en een verdwaalde student in de geneeskunde. Hoe meer er binnen komen, hoe stiller het wordt. Is er een wetmatigheid zichtbaar die we kunnen meten? Neemt het gespreksvolume af naarmate er meer mensen op die paar vierkante meter samenpakken? In deze lading wordt geen enkel woord geuit, niet eens een woord van dank. Op de elfde stapt de laatste uit, draait zich om en roept: ‘verkeerde etage,’ maar de lift sluit de deuren en schuift naar beneden. Een man komt binnen met zijn tas in zijn rechterhand en een appel in de linker waarvan hij steeds een hapje knabbelt wanneer de deuren zijn dichtgegaan. Als hij uitstapt is de appel een stuk kleiner geworden maar nog niet volledig verdwenen. Dat komt wel op weg naar buiten.
‘Als je een kopie wilt hebben moet je bij Mark zijn,’ zegt een jongen tegen een meisje. ‘Hij heeft ze liggen. Waar weet ik niet, maar hij heeft ze.’
‘Hij houdt niet van uitlenen,’ zegt ze.
‘Mij leent hij altijd.’
‘Toch maar proberen,’ en ze blaast de lok voor haar hoofd weg. De lift schiet naar boven, naar de achtste.
Daar stappen twee vrouwen in.
‘Het duurt maar een half uur.’
‘Ik heb nooit eerder gemediteerd.’
‘Zo overleef ik de dag hier, door te mediteren.’
‘Je moet toch overleven.’
‘Op de een of andere manier. Sommigen drinken koffie, anderen eten zich ongans. En de meerderheid lijdt in stilte.’ Ze zegt het laatste alsof ze heel lang die meerderheid heeft geobserveerd. Ze zegt het alsof lijden in stilte een wezenskenmerk is van de meerderheid.
‘Ik ben benieuwd.’ Ze stappen op de begane grond uit. De lift is leeg. Voor het eerst sta ik alleen in deze lift. Vanaf de begane grond tot de 12e verdieping staat de lift geen enkele keer stil. Het voelt geweldig.
Laatste reacties