Schrijver op Locatie: Renate Dorrestein

Renate Dorrestein

  • Renate Dorrestein_tcm10-126587

Recent Posts

  • Theorie versus praktijk
  • Word geen seger
  • Alleen
  • ‘I can stand behind your point’
  • De juffrouw van de retirade
  • Donald Duck en Jezus
  • Geluk
  • Levensverhalen
  • Zichtbaarheid

Links - Renate Dorrestein

  • Achtergrond klaagmuurproject
  • Schrijver op locatie
  • Faculteit der Letteren
  • Vrije Universiteit Amsterdam

Nog maar twee weken

[17 januari]

Nu mijn laatste weken op de VU zijn aangebroken, vragen mensen me voortdurend wat ik na 1 februari het meest zal missen, als ik weer gewoon een ambteloos schrijfster zal zijn.

Laat ik beginnen met iets heel onbeduidends wat me niettemin iedere keer veel plezier heeft bezorgd. Elke twee maanden mocht ik in de VU-boekhandel een  boekenplank vullen met favoriete titels. O, man. Dat zou ik de rest van mijn levensdagen wel willen doen, mensen beschaafd opdringen wat ze moeten lezen.

Als burger heb je daarvoor geen ander middel tot je beschikking dan je vriendenkring je tiptitels cadeau te doen (zo kocht ik afgelopen weken zonder aanziens des persoons al vier keer Room van Emma Donoghue, blij dat ik in januari altijd  veel jarigen heb). Maar als gecertificeerd Schrijver op Locatie met een eigen boekenplank heb je toch meer natuurlijk overwicht, zo stel ik me dat tenminste voor.

Wat ik ook zal missen, is college geven. Vaak gingen die over vakken waar ik voor het eerst mee in aanraking kwam, zoals bewegingswetenschappen, organisatiekunde, mediapsychologie of bestuurskunde, maar er bestaat geen onderwerp onder de zon of er zijn mooie romans over geschreven die ik om hun inzicht, hun troost of hun wijsheid in het college ten tonele kon voeren.

Dus nu maar hopen dat ik als Schrijver op Locatie in elk geval dit over het voetlicht heb gekregen: dat fictie een immense kennisbron is en dat literatuur ons iets te bieden heeft dat de sociologie niet vermag, de psychologie niet vermag, de journalistiek niet vermag: het vermogen om in het hoofd en het hart van personages te kijken, en om te voelen wat zij voelen. 

Zo krijgen we in Room van Emma Donoghue (dat is geïnspireerd op de praktijken van de Joseph Fritzls van deze wereld) een onthutsend inkijkje in… Maar leest u dat boek liever zelf.

Maar wat ik natuurlijk het meest zal missen, is het leven in de VU-gemeenschap. Het rondlopen op de campus, de gesprekken met studenten, onderzoekers, medewerkers. Wat ik op 1 februari mee naar huis neem, is vooral het besef hoe groot en divers de wereld is. Nergens elders dan op de VU heb ik dat ooit in zo’n geconcentreerde vorm meegemaakt.

Als de op één na ‘zwartste’ universiteit van ons land biedt de VU onderdak aan heel verschillende populaties, waaronder mensen die zich enorme opofferingen hebben moeten getroosten om überhaupt bij ons op de campus terecht te komen. Hun levens getuigen van moed en doorzettingsvermogen en ze inspireren. Want wat zijn de meesten van ons bevoorrecht, thuis als we zijn in ons eigen land, onze eigen taal en onze eigen cultuur.

Een groot aantal van deze en andere levens zijn het afgelopen semester door de studenten opgetekend in het project ‘Schrijf elkaars levensverhaal op een bierviltje’. Ik ga de viltjes nu overdragen aan beeldend kunstenaar Stef Kreymborg, met wie ik eerder samenwerkte in het klaagmurenproject. Zij zal de viltjes verwerken tot een monument dat het menselijk leven op de planeet VU representeert. En met een beetje goede wil komt dat kunstwerk uiteindelijk op de campus terecht.   

Comments (1)

Theorie versus praktijk

[30 december]

Wie aan de VU studeert, krijgt daar een Schrijver op Locatie bij cadeau. Wie aan de VU Nederlands studeert, krijgt de gelegenheid om ook nog een stel andere auteurs te ontmoeten, via het college Schrijvershuisbezoeken. Daarin worden vier romans besproken, beschreven, geanalyseerd en gepresenteerd, waarna de schrijvers ervan thuis worden opgezocht om een en ander nog eens te verifiëren. Welke andere Nederlandse universiteit doet zoiets? Dit is echt een bijzonder initiatief van onze Faculteit der Letteren.

Mij bood dit college bovendien de kans om een groep studenten eens wat langduriger te volgen. Meestal kom ik overal op de campus maar eenmalig, op verzoek, voor iets speciaals, maar nu zaten we acht weken over en weer aan elkaar vast.

Ik stel me bij zulke gelegenheden graag voor dat ik een antropoloog ben, op bezoek bij een vreemde stam. Er valt een hoop te onderzoeken, te ontdekken en interessant te vinden, maar zelfs tijdens het hartstochtelijk gezamenlijk stampen in de kring of het doorgeven van de piri-piri moet je je niet verbeelden dat je er echt onderdeel van uitmaakt.

In dit geval werd dat gevoel nog eens gevoed door het feit dat de wereld van de wetenschap mij vreemd is. Ik heb zelf niet gestudeerd en het hele academische bedrijf heeft daardoor soms een intimiderende, maar vaak ook een lichtelijk bedwelmende werking op me (‘Kijk mij nou!’). Na elf maanden op de VU heb ik pas onlangs een docent een definitie van wetenschap horen geven die ik ten volle begreep: ‘Wetenschap bedrijven is vragen stellen.’

Interessant dus, om eens te bezien met wat voor soort vragen de studenten met wie ik op schrijvershuisbezoek zou gaan, op de proppen zouden komen. Zouden zij, literatuurwetenschappers in spe, heel andere vragen stellen dan er gebruikelijk bij literaire lezingen in bibliotheek of boekhandel uit het publiek komen?

Eigenlijk niet, luidde het antwoord al snel. Wanda Reisel, Pia de Jong en Thomas Rosenboom, die ons allen hartelijk met koek en zopie voor achttien personen ontvingen (onze vierde man, Joost Zwagerman, was op het laatste moment helaas verhinderd), kregen de geijkte vragen. Hoe ziet uw werkdag eruit? Waar haalt u uw inspiratie vandaan? Bouwt u een persoonlijke band met uw personages op? Hoeveel research doet u? Hoe beleeft u de recensies van uw werk? Hebben uw boeken een boodschap? Bent u bezig met een nieuwe roman? Vindt u dat alles in een boek met elkaar moet kloppen of mogen er ook losse eindjes zijn? Schrijft u met ‘de lezer’ in het achterhoofd?

Allemaal legitieme vragen, en tja, wat moet je ook anders aan een auteur vragen, behalve wanneer je specifiek ingaat op een bepaalde titel?

Er was eigenlijk maar één ding dat me opviel, en dat begon al in de oefenronde vooraf, waarbij ik de rol van de te bevragen auteur speelde. Gevraagd naar mijn literatuuropvatting antwoordde ik dat verhalen er volgens mij al zijn voordat de schrijver ze heeft opgeschreven. Ze zweven als ongeboren kinderzielen in de kosmos, op zoek naar een verteller. Als schrijver doe je eigenlijk niets anders dan ze ‘vertalen’ opdat ze toegang krijgen tot andermans hoofd en hart.

Dat er zo weinig doelgerichtheid aan te pas kwam, dat konden de studenten eenvoudig niet geloven. Sterker, dat weigerden ze. En geef ze eens ongelijk, want waar komen alle literatuurwetenschappelijke theoriën en formules vandaan, als schrijvers eigenlijk maar een beetje op hun gevoel varen en wat rondhengelen in de kosmos? O wee, dacht ik al snel, zij vermoeden een hele machinerie achter mijn werk die domweg niet bestaat. Ik schrijf en herschrijf gewoon net zo lang totdat het ineens allemaal samenvalt.

‘Ik werk hoofdzakelijk op mijn intuïtie,’ zei Wanda Reisel.

‘Ik probeer meestal gewoon allerlei dingen uit,’ zei Pia de Jong.

‘Het is toch vaak toeval waar je op stuit,’ zei Thomas Rosenboom.

Ongelovige, zelfs ongelukkige gezichten bij de studenten. De dingen moeten toch kloppen en daar werk je toch bewust aan? Net zo goed als je jezelf met opzet in een literaire traditie probeert te schrijven?

Makers denken vermoedelijk nooit dat hun werk pas bestaat bij gratie van doorgronding ervan. Onderzoekers bestaan zélf bij de gratie daarvan. Dat zal het hele misverstand wel zijn.

‘Je hoeft je eigen werk niet te snappen, je hoeft het alleen maar te schrijven,’ zei Hella Haasse ooit tegen mij. Wij schrijvers zijn een deksels fortuinlijk stelletje, vergeleken met degenen die ons werk bestuderen en pogen te duiden, zo veel is me duidelijk geworden. Wij behoren niet tot de stam der literatuurwetenschappers. Daarom kijken we onze ogen er zo op uit. Ik althans wel. En later worden deze studenten misschien literatuurrecensent, maar dat zien we dan wel weer.

 

 

 

 

 

    

 

 

 

 

Comments (0)

Word geen seger

[15 december]

De Faculteit van Sociale Wetenschappen nodigde me uit voor een gastcollege in het onderwijsblok Culture & Organization. Omdat het daarbij ging over ‘organisatieverhalen’, besloten we tot een bierviltjessessie met de studenten, waarbij het niet alleen om levensverhalen zou draaien, maar ook om de vraag karakteriseer de VU op een bierviltje.

Een greep uit de antwoorden. Veel studenten spreken hun waardering uit over het internationale en multiculturele karakter van de VU. ‘Good international feel’. ‘VU is: binnen vier muren je wereldwijd ontplooien’. ‘A cocktail of cultures’. ‘VU is de hele wereld op 10.000 m2’

Maar geen goed woord voor de gebouwen. ‘Location sucks’. ‘In the middle of fucking nowhere’. ‘Saaie omgeving, niet inspirerend’. ‘VU = beton’. ‘Niet verwelkomend’. ‘Sfeerloos’. ‘Nowhere to sit down / slow down’. ‘Een grote grijze leerfabriek’. Iemand repte zelfs van ‘little Warschau’.

De overvolle liften, het gebrek aan computers, alles passeert op de bierviltjes, gelardeerd met verzuchtingen zoals: ‘Rare instelling. Traditioneel. Oude mensen.’ of: ‘Ik kom er wel doorheen.’  

Ik vond het opvallend hoe afgewogen veel studenten tot een oordeel probeerden te komen. Neem nou deze: ‘It is a “cold”, not very friendly environment because of the endless bureaucratic processes, but on the other hand professors are quite friendly and warm, as students too. VU slogan: warm people in a “cold” place.’ Of: ‘VU heeft een wat oubollige en dorpse uitstraling, maar wetenschappelijk wel dik in orde.’

En een hart onder de riem voor de docenten: zij krijgen een hoop lof toegezwaaid. Ze worden ‘toegankelijk’ genoemd, ‘motivating’, ‘generally kind’, ‘understandable and easy to approach’ en ‘very inspiring’. De studenten voelen zich ‘dichtbij de docenten, ze willen je echt helpen’, ze waarderen de ‘interactie tijdens colleges’ en de ‘openness and dialogue’. Al heeft iemand het ook over sommige ‘unstructured teachers’ en klaagt: ‘I don’t like their lack of red thread.’ (Dat lijkt me trouwens een zin die zo in I always get my sin van Maarten Rijkens kan.)

Na afloop van de middag had ik het gevoel dat ik eigenlijk alle faculteiten van de VU een afzonderlijke bierviltjessessie zou moeten aanbieden. Wat een probaat middel om feedback over je eigen organisatie te krijgen. En zou ik elders ook op maar liefst drie viltjes de volgende cryptische mededeling aantreffen: ‘‘Word geen “seger”, kom naar de VU’?

Een seger. Wat voor een – vermoedelijk lagere – levensvorm is dat? Dat ik dat na bijna een heel jaar op de VU nou nog steeds niet weet…

 

 

 

 

 

 

Comments (1)

Alleen

[22 november]

Ad Valvas had laatst een artikel over een onderzoek van Amsterdamse studentenartsen waaruit bleek dat lang niet alle studenten voldoen aan het beeld van levenslustig, zelfverzekerd en zorgeloos. Ook ik vind in de klaagmuren veel hartenkreten die dat bevestigen.

Laatst vroeg ik tijdens een college over het levenseinde, een stemmig onderwerp voor de maandagochtend, aan een groep studenten wat zij veronderstelden dat de gelukkigste periode uit een mensenleven is. Een meisje antwoordde: ‘Je ouders en je opa zeggen: je studententijd.’

Ja, dacht ik, daar begint het dus al met de hooggespannen verwachtingen. Er wordt je in het vooruitzicht gesteld dat de leukste tijd uit je hele bestaan is aangebroken. En als je er in werkelijkheid geen klap aan vindt, kan dat alleen maar aan jezelf liggen. Dan doe je blijkbaar iets niet goed.

Het valt me op hoe vaak ik met name klachten over eenzaamheid in de muren aantref. Er lopen bij ons op de campus best wat mensen verloren rond. Iemand schreef: ‘We zijn hier met zo velen, en toch voel ik me dikwijls alleen.’ Ook het ‘opgaan in de massa’ wordt genoemd.

Het treft me vooral dat mensen zich ervoor lijken te schamen als het hen niet lukt om aansluiting te vinden. Het voelt kennelijk als eigen falen – en dat maakt alles natuurlijk nog twee keer zo akelig.

Ik zou soms wel op de VU willen gaan rondlopen met een t-shirt met daarop de tekst ik voel me ook vaak alleen. Ik zou mijn armen willen uitstrekken naar al die studenten die zich losers voelen omdat ze geen hordes vrienden hebben, misschien zelfs niet eens ééntje om hun hart bij te luchten, en ze in hun oren willen toeteren dat eenzaamheid een essentieel onderdeel van de menselijke conditie is.

Wanneer je alleen bent, ben je helemaal niet alleen, dat is de paradox. De eenzaamheid is een universeel gegeven, en is dus juist wat ons allemaal met elkaar verbindt. Zoals Marnix Gijsen schreef: ‘Elk mens is alleen, en zij die naast ons lopen zijn vreemden die vroeg of laat tot dezelfde ontdekking moeten komen.’

Je kunt het naar, moeilijk of verdrietig vinden om je eenzaam te voelen en alleen te zijn, maar je ervoor schamen is onzin. En misschien helpt het volgende ook een beetje. Je studententijd is helemaal niet de gelukkigste tijd uit je leven. Onderzoek heeft aangetoond, zo leerden we onlangs op de Dies Natalis van neurobioloog Guus Smit, dat mensen rond hun vijftigste het gelukkigst zijn.

Als je er even over nadenkt, is de logica evident.

Ziezo, hopelijk weer een fabel de wereld uit.   

Comments (1)

‘I can stand behind your point’

[7 november]

Een bericht uit de klaagmuur. Een student economie vindt dat studeren ‘ontzettend slecht’ is voor zijn Engels. Hij moet de godganse dag luisteren naar Dunglish, een armzalige taalvariant die nog minder voorstelt dan het krukkigste steenkolenengels. Hij heeft een jaar in de VS gewoond en ziet, nu bij ons op de VU, zijn angelsaksische taalvaardigheden snel afnemen. Er zijn docenten die hem niet eens begrijpen als hij bepaalde uitdrukkingen gebruikt. Hij vindt de hele toestand kortom een aanfluiting.

Het is een oude kwestie, wel of niet onderwijs in het Engels aan de Nederlandse universiteit, maar voor mij als academische buitenstaander is het nog steeds een reusachtige rariteit. Sta ik bij de lift, hoor ik iemand zeggen: ‘I can stand behind your point’. Of aan tafel aangeschoven bij een gezelschapje in de mensa: ‘Now that we are sitting on this table.’

En dan hebben we als Nederlanders doorgaans ook nog dat afgrijselijke accent…

Nijpend werd De Kwestie ineens toen ik zelf werd gevraagd een college in het Engels te verzorgen. Ja, nee, heus, dat was onvermijdelijk, want al zat er bij dat college maar één buitenlandse student tussen zestig Nederlandse, dan moest die ene toch ‘geaccomodeerd worden’. Volstrekt vruchteloos verzette alles in mij zich hiertegen. Ik wierp vele principes in de strijd, met niet als geringste mijn aanstelling als Nederlandse Schrijver op Locatie. Neem dan Ian McEwan of Hilary Mantel, en niet mij.

Wat maakte dat ik – zonder enig effect trouwens – zo de hakken in het zand zette?

Ik ben writer-in-residence geweest aan een Amerikaanse universiteit en deelnemer aan de Iowa’s International Writer’s Workshop. Ik geef nog steeds met enige regelmaat masterclasses in de VS en ik ben bovendien zowat getrouwd geweest met een Schot (het scheelde maar een haar of ik was achter een spinnenwiel in de Higlands geëindigd), dus ik spreek wel met enig gezag als ik uit eigen jarenlange en intensieve ervaring met het Engels vaststel dat het ontzettend moeilijk is om in een andere dan je moerstaal echt scherp te denken en te formuleren.

En daar gaat het nu om.

Alle argumenten vóór de ‘internationalisering’ van de kennisindustrie of –economie vallen daarbij voor mij in het niet. Zeker, het is ook voor Nederlandse studenten die een jaartje naar het buitenland willen, super relaxed om het engelstalige vakjargon al te kennen. Dat daarmee, met het verdwijnen van het Nederlandse vakjargon dus, het Nederlandse cultuurgoed eveneens wordt bedreigd (ik herinner me een fantastisch betoog hierover, ooit, van een docent aan de TU, ik geloof dat het over het woord ‘polder’ ging) is al ernstig genoeg. Maar dat docenten en studenten een obstakel voor de voeten geworpen krijgen dat de finesse en de eloquentie van hun denken en formuleren beperkt, is bij uitstek aan een universiteit te vreemd voor woorden.

Ik zou zeggen: een universiteit moet zich zien te onderscheiden door voortreffelijk onderwijs (en onderzoek), en niet door het half verlammen van knappe geesten die dag in dag uit koortsachtig lopen te zoeken naar het juiste voorzetsel of de correcte werkwoordvervoeging in een vreemde taal. En als dat onderwijs (en onderzoek) eenmaal zo uitmuntend is dat het buitenlanders aantrekt, dan zullen die buitenlanders er meer dan dolgraag speciaal Nederlands voor willen leren.

Als roker en als katholiek (en dus bekwaam in Jezuïtisch denken) zie ik ook nog een andere uitweg, namelijk het én/én model. Bied Bijspijkerengelscursussen aan voor studenten die een internationale studie- of werkcarrière ambiëren. Bijspijkernederlandscursussen heeft de VU immers ook. Maak voorlichtingsmateriaal en studie-informatie beschikbaar in beide talen. Stel studenten-zonder-vreemdetalenknobbel in elk geval in staat hun werkstukken in het Nederlands in te leveren en op die manier kenbaar te maken wat ze écht weten en kunnen. En besef ook wat dit zou betekenen voor (bijvoorbeeld allochtone) studenten met een taalachterstand.

Vorige week sprak ik op de campus een Nederlandse taalwetenschapper. Hij had net met een student overleg gehad over diens scriptie, een werkstuk dat ging over Mary, de moeder van Jezus.

            ‘Hm?’ zei ik bevreemd.

            Hij haalde zijn schouders op. ‘Hij heeft uiteraard alleen maar engelstalige literatuur gelezen.’

Mary, de moeder van Jezus.

What more can I say, Your Honour? I rest my case.

(Nawoordje. Een vriendin van me geeft Engels aan een HBO-instelling. Onlangs oefende ze met haar studenten onregelmatige werkwoorden. Vervoeg to cut. Vervoeg to think. Vervoeg to shoot. Bij dat laatste woord schoot een student uit zijn slaapstand omhoog en riep luidkeels: ‘Pief, paf, poef!’)  

Comments (1)

De juffrouw van de retirade

[21 oktober]

De VU bestaat 130 jaar, en om ons jubeljaar luister bij te zetten is er door het Exposorium in het hoofdgebouw een tentoonstelling van hooglerarenportretten ingericht. Ruim negentig schilderijen die verspreid op de campus hingen, zijn daarin bijeengebracht.

Uit kunsthistorisch oogpunt is 'KOPSTUKKEN van de VU 1880 - 2010' ongetwijfeld een fraaie expositie, die een interessante kijk biedt op allerlei ontwikkelingen in de beeldende kunst tussen toen en nu. Dat er maar één vrouwelijke hoogleraar te ontwaren valt, prof. mr. dr. Gezina van der Molen, dienen we helaas voor lief te nemen. ‘Dat is historisch zo gegroeid’, en de geschiedenis kunnen we niet herschrijven.

Ronduit idioot is het wel wáár het portret van de enige vrouw in deze ere-galerij is beland. Het hangt in het minst prominente en meest schoreme gedeelte van de expositie. Kort en goed, het hangt tegenover de wc’s onder de trap.

Prof. mr. dr. Gezina van der Molen, de eerste vrouwelijke promovenda en de eerste vrouwelijke hoogleraar uit de geschiedenis van de VU, rechtsgeleerde, verzetsheldin en strijdster voor mensenrechten ‘met een diepe afkeer voor onrecht’, zoals we lezen in het boek dat de expositie begeleidt, heeft in deze tentoonstelling de rol toebedeeld gekregen van juffrouw van de retirade: de dame die waakt over een openbaar toilet.

's Nachts stapt prof. mr. dr. Gezina van der Molen uit haar lijst, ze trekt een witte jas aan en gaat met chloor en pleeborstel aan de slag. Ze boent potten en dweilt vloeren, ze vult zeepcontainers bij en vervangt wcrollen. 

Ik stel voor dat iemand zo hoffelijk is om onder haar portret een krukje neer te zetten met daarop een schoteltje. Ik stel voor dat iedereen die de komende tijd gebruik maakt van het wcblok van prof. mr. dr. Gezina van der Molen, vijftig cent op dat schoteltje achterlaat. Ik stel voor dat alle vrouwelijke studenten en medewerkers van de VU tot het einde van de expositie op 25 december uitsluitend nog gebruik maken van de wc’s van prof. mr. dr. Gezina van der Molen.   

Via deze variant op het groene busje, zo dierbaar in de VU-traditie, zullen we dan aan het einde van het jaar een fonds bijeengebracht hebben waarmee de Prof. mr. dr. Gezina van der Molen-bokaal kan worden ingesteld, een jaarlijks op de VU uit te reiken prijs voor de meest stuitende stommiteit op de campus.

 

Comments (2)

Donald Duck en Jezus

[2 oktober]

Ik werd uitgenodigd een bijdrage te leveren aan een college Grieks. Onderwerp zou zijn de tekst Chaireas en Kallirhoë van Chariton van Afrodisias, een obscure schrijver uit de eerste eeuw na Christus. De vertaalster ervan, tevens en vooral docent klassieke talen aan de VU, strikte mij voor deze opdracht met een aanstekelijke e-mail, waarin zij stelde dat dit werk de status van de eerste Europese roman kan worden toegedicht.

Eat your heart out, Cervantes, dacht ik.

Het was de bedoeling dat ik mijn moderne schrijversoog over deze tekst zou laten gaan en zou uitleggen of die literaire kwaliteit bezit, of eerder met een boeketreeksroman vergeleken kan worden. Een kolfje naar mijn hand.

Ik had namelijk net een paar weken eerder op de Amsterdamse Parade tegen mijn collega Thomas Rosenboom gestreden in een hilarische literaire quiz die ‘Pulp of fictie’ heette. Daarin werden ons erotische passages voorgelegd die wij moesten determineren: waren ze afkomstig uit een literair meesterwerk of uit een kasteelroman?

Direct al bij de eerste zin die werd voorgelezen stond het antwoord voor mij telkens vast. ‘Pulp!’schreeuwde ik dan zo hard als ik kon. En dan bleek het om Coetzee te gaan, of W.F. Hermans. Nog nooit eerder binnen een halfuur zo veel flaters op elkaar gestapeld. Hoogtepunt van de avond was echter het moment dat Thomas over een fragment zei: ‘Nou, ditmaal heeft Renate echt gelijk, dit is zondermeer pulp.’ Was het een passage uit zijn eigen roman Gewassen vlees.

Nee, op basis van een paar zinnen zonder context valt niet op te maken wat het literaire gehalte van een tekst is. Maar toen het uur van mijn college was aangebroken en we met z’n allen over Chaireas en Kallirhoë gebogen zaten, lag het natuurlijk anders. Wat een boek, trouwens. Beeldschoon meisje krijgt de liefde van haar leven in de schoot geworpen, maar hun liefde wordt geplaagd door vele hindernissen en obstakels…

Verwikkelingen, mensen. Krachten en tegenkrachten. Dat is waar verhalen het van moeten hebben, of ze nu als hoog of laag worden aangemerkt. De premisse van iedere roman, en hierin ontmoeten literatuur en lectuur elkaar verrassend vaak, is: iemand wil iets, maar kan dat niet of slechts met de grootste moeite verwezenlijken.

Zelfs Oblomov wil iets (en wordt daarin gefrustreerd): met rust gelaten worden.

Wellicht doordat Thomas Rosenboom nog door mijn hoofd spookte, kwam ik tijdens het college met grote gedrevenheid te spreken over het fenomeen dat hij zo treffend heeft gemunt als ‘het strevende personage’. In een boek moet je mensen aan boord hebben die iets willen, anders krijg je geen drama op gang. Om die reden zou je kunnen stellen dat Donald Duck uit de strip een veel ‘bevredigender’ personage is dan Jezus Christus uit het Nieuwe Testament: de eend wil altijd overal een slaatje uit slaan, Katrien behagen, Dagobert aftroeven en uit handen van de Zware Jongens blijven. Jezus, daarentegen, heeft zelf helemaal niets te willen en dient louter de opdracht van zijn Vader uit te voeren (Ik wou dat ik het zelf had bedacht, maar dat is Rosenbooms werk.).

Ik wees de studenten erop dat de geliefden uit Chaireas en Kallirhoë amper strevende personages te noemen zijn. Ze zijn de speelbal van het noodlot en het toeval. Dat sluit natuurlijk naadloos aan bij het mensbeeld uit de Griekse oudheid, maar het werkt voor de moderne lezer toch niet erg overtuigend. En ik had nog meer hardhandige opmerkingen.   

Hoe smakelijk, vermakelijk en meeslepend het verhaal van Chariton ook is, op allerlei niveaus (die van stijl, vorm, tijdbehandeling en perspectief bijvoorbeeld) kon ik dingen aanwijzen waarvan je moest concluderen: dit proza is waarlijk onverschrokken slecht, dit kunnen we geen literatuur noemen. Geen literatuur tenminste, die voldoet aan de conventies van onze tijd.

Op dit punt leek het sommige studenten toch wat te gortig te worden. Hadden zij zich wekenlang toegewijd en liefdevol, met het woordenboek binnen handbereik, zin na zin door dit epos heen zitten worstelen, kwam ik even meedelen dat het niet zo veel voorstelde. Een van hen zei op tamelijk vinnige toon dat het haar leek dat ik een afgrijselijk vak had als ik me bij het schrijven de hele tijd aan literaire conventies moest houden.

Ik besloot dat het tijd werd om in te binden en eindigde dit leerzame uurtje met de uitsmijter dat het verschil tussen literatuur en lectuur in mijn beleving simpel samen te vatten is: literatuur roept vragen op en lectuur geeft antwoorden. En soms heeft een mens behoefte aan het een en dan weer aan het ander. Maar dat doet niets af aan het verschil.

 

      

Comments (1)

Geluk

[14 september]

 

De klaagmuren blijken weer goed gebruikt te worden. Wat me opvalt is dat veel studenten eindeloos dubben over de vraag of ze van hun studie gelukkig zullen worden. Dat is vast een legitieme vraag, maar ik vind hem toch een beetje raar. Ik voel er dezelfde weerstand tegen die ik vroeger als kind had tegen het eerste artikel van de katholieke catechismus:

 

‘Waartoe zijn wij op aarde?

Om God te dienen en hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn.’

 

Gelukkig moeten zijn, wat een draconische opdracht. Het is goed voor het humeur, dat natuurlijk zeker, maar aangezien geluk net zoals gezondheid een goed is dat je voor het grootste gedeelte gewoon toevalt, moeten we niet doen alsof het altijd en voor iedereen een haalbare kaart is. Wanneer je gedeprimeerd of verdrietig bent, ben je dan een loser? En kún je eigenlijk wel gelukkig zijn zonder het reliëf van pech, verlies, defaitisme en zwartgalligheid?

 

Als ik later paus ben en een nieuwe catechismus kan schrijven, zet ik daar in dat wij op aarde zijn om dankbaar te zijn voor het feit dat we er zijn. Dankbaarheid is een emotie waarvan je ongelooflijk gelukkig wordt. En als er tijdelijk niks is om dankbaar voor te zijn, hoef je je ook geen mislukkeling te voelen.

 

Zo, dat is opgelost.

 

Misschien zou ik er niet zo over denken als ik een ander beroep had. Zoals Tolstoj stelde, wat heb je eraan om over gelukkige gezinnen te schrijven, daar valt weinig tot niets over te melden. Wij kunstenaars zijn dan ook uitgesproken verzot op ongeluk.

 

Dat zal ook blijken uit de filmfragmenten die ik koos voor Cinema Renate op 21 september in cultuurcentrum de Griffioen, en waarover Dick Roodenburg me zal interviewen.Komt dat zien, aanvang 20.30 uur, en met een beetje geluk hebben we met z’n allen een heerlijk opmonterende avond.     

Comments (0)

Levensverhalen

Levensverhalen

 

[5 september]

 

Een nieuw studiejaar, en dus veel nieuwe gezichten op de campus. Wat een heerlijke kans biedt dat mij, uw Schrijver op Locatie! Enerzijds al die mensen binnen de VU-gemeenschap die elkaar nu moeten gaan leren kennen, en anderzijds mijn verlangen om mensen ertoe te bewegen elkaar hun levensverhaal te vertellen.

 

Ik droom er al jaren van dat ik me in een enorme ruimte bevind waarin iedereen bezig is elkaars levensverhaal te beluisteren en op te tekenen. Het is mijn overtuiging dat we zonder ons eigen verhaal, het verhaal van onze hoogte- en dieptepunten, en onze reflectie daarop, maar half mens zijn. Maar compleet zijn we pas echt als anderen dat verhaal óók kennen.

 

De schepping zit vol imperfecties, en vrijwel ieder van ons is daar een goed voorbeeld van. Daardoor kunnen we elkaar met onze levensverhalen troosten en helen, of op z’n minst een heleboel dingen helpen te relativeren.

 

Na wel twintig andere varianten te hebben verworpen, kwam ik ten slotte uit op dit idee voor mijn droomproject: Schrijf elkaars levensverhaal op een bierviltje.

 

Het werkt zo. Ga, als je in het café zit (‘het café’ is hier symbolisch op te vatten als iedere willekeurige ontmoetingsplek, het kan ook ‘bij het koffie-apparaat’, ‘op de sportclub’ of ‘in de mensa’ zijn), niet eenzelvig voor je uit zitten te hummen, ga evenmin maar wat slap zitten te zwetsen en ga al helemaal niet t*w*i*t*t*e*r*e*n.

Hou je klep eens, laat de wereld maar even wachten op jouw OPINIES en STANDPUNTEN, en vraag een ander wat.

 

(Vragen is een conversatieconventie uit de tijden van weleer, toen mensen nog geen oren hadden waar draadjes uit hingen.)

 

Vraag naar het meest beslissende besluit in iemands leven, naar zijn of haar  jeugdherinneringen, naar keerpunten, naar momenten van vreugde, trots, verdriet  of spijt, vraag desnoods naar iemands muzikale voorkeur, maar in ’s hemelsnaam: vraag iets.

 

(‘Van vragen word je wijs,’ zei Sonja Barend vroeger altijd. Participerend onderzoek, uitgevoerd door mijzelf, heeft aangetoond hoe dat werkt: vragen hebben een opmerkelijk Zwaan Kleef Aan Effect. Oftewel: de ene vraag lokt de volgende uit. Eerst vraag je nog argeloos naar bijvoorbeeld wat, vervolgens wil je ook wel weten hoe, en dan tuimelen waar, wanneer en waarom er vanzelf achteraan. Het lijkt de wetenschap zelf wel!)

 

Pak vervolgens een bierviltje (wederom op te vatten als een symbool, in dit geval van een vorm van ‘samenzijn’) en schrijf daarop in steekwoorden het verhaal op dat je te horen hebt gekregen, of maak er een mooie samenvattende zin van.

 

Het viltje is ‘een bewijs’ dat er een gesprek heeft plaatsgevonden en dat er een verhaal is verteld. Hopelijk zal dat verhaal nu worden doorverteld en gaat het op eigen benen de wijde wereld in om nog menige ziel te verkwikken. En om dat te doen beklijven, zullen de viltjes worden ingezameld en tot een kunstwerk gemaakt, en daarmee als het ware worden ‘teruggegeven’.

 

Goed plan, al zeg ik het zelf.      

 

Nu alleen nog een plek om het uit te voeren, oftewel waar?

 

Inderdaad, de ene vraag lokt de andere uit, want waar anders dan op onze VU, en waarom, nou heel simpel, omdat we meer willen zijn dan een leerfabriek, we willen mensen óók met elkaar in gesprek brengen en met elkaar verbinden.

 

Het hoe en het wanneer bood zich vervolgens vanzelf aan mij aan. Want als Schrijver op Locatie bleek toch al van mij te worden verwacht dat ik iets deed bij de opening van het academisch jaar op de faculteit der letteren.

 

Dus zaten daar vorige week een paar honderd personen van heel verschillende achtergronden en leeftijden in een collegezaal bijeen met allemaal een bierviltje en een pen in de hand en een vraagteken op het voorhoofd. Ik deed mijn best om de bedoeling zo snel mogelijk uit te leggen (Dit zijn altijd van die momenten, ik beken het eerlijk, waarop je denkt: ‘Waarom zit ik niet rustig thuis op de bank met de poes op schoot en een pot thee bij de hand?’). Om de zaak aanschouwelijk te maken gaf levensliederenzangeres Fredie Kuiper, zichzelf begeleidend op de accordeon, een nogal verpletterend voorbeeld van hoe achter één steekwoord een heel levensthema kan schuilgaan.

 

En toen werd mijn droom waar. Opeens bevond ik me in een grote ruimte waarin honderden mensen zich aan elkaar voorstelden en begonnen te kwekken over hun leven en alles van elkaar opschreven! Na afloop zei iemand tegen me: ‘Ik wist niet dat je in zo korte tijd zo veel over iemand te weten kunt komen.’

 

Ik ga de komende maanden op de VU nog meer ‘bierviltjessessies’ doen. Ik hoop dat het op de campus gaat zoemen van de levensverhalen. En ik hoop ook dat mensen, door eens even buiten zichzelf te treden en zich te verdiepen in andermans verhaal, óók meer zicht krijgen op hun eigen levensthema’s. Die te herkennen, dat kan van groot belang zijn voor het maken van de juiste keuzes in studie en carriere.

 

Om dit alles zogezegd weer terug te geven aan de VU, ga ik een beeldend kunstenaar vragen om van de bierviltjes een kunstwerk te maken. En dat zal Stef Kreymborg zijn, van wie eerder op de VU De klaagmuur van eenzame sokken te zien was, de inspiratiebron voor mijn eigen klaagmurenproject van vorig semester. Overigens: de klaamuren staan nog steeds op diverse plekken op de campus. Het verraste me dat er op 1 september toch alweer hartenkreten in waren gedeponeerd!

 

Eéntje daarvan ging over ‘hoe kaal, deprimend en oninspirend’ de muur in de foyer is sinds Stefs werk daar is weggehaald.

 

Meer kunst op de VU, dat is mijn wens voor het nieuwe studiejaar. In welke vorm dan ook. Wetenschap is onmisbaar. Maar kunst niet minder. 

Comments (0)

Zichtbaarheid

 

[18 juni]

 

De vier mobiele klaagmuren op de campus zijn niet langer ingetogen lila van kleur. Jens en Harm, de onmisbare mannen van het Exposorium, hebben ze overgeschilderd in VU-blauw. Ons gezamenlijke idee was om op deze manier de zichtbaarheid ervan te verhogen, omdat de muren op sommige plekken, met name in de hal van het hoofdgebouw, optisch wat leken weg te vallen in het algehele informatie-bombardement aldaar.

 

Sedertdien breek ik mij het hoofd over de gevolgen van deze ingreep.

 

Komt het door de ‘toegenomen zichtbaarheid’ dat de posters met voorbeelden van hartenkreten (Help, ben ik wel slim genoeg? Help, ik denk dat ik hetero ben!) die er altijd op geplakt waren, opeens verdwijnen? Blijkbaar zien mensen ze nu pas hangen en denken dan: Gaaf postertje, dat haal ik eraf en neem ik mee!

 

Dat stemt mij ergens wel vrolijk. Je maakt niet iedere dag affiches die kennelijk zo leuk worden gevonden dat men ze graag thuis boven het eigen bed hangt.

 

Maar er is nog meer aan de hand. Vond ik tot voor kort bij iedere ronde die ik langs de klaagmuren maakte enkele tientallen geposte briefjes, nu is dat plotseling niet meer het geval. Sinds de muren uiterst zichtbaar blauw zijn, heb ik er in totaal nog maar twee brieven in aangetroffen. Twee!

 

Dat geeft te denken. Zoals brand-managers van Coca-Cola of Mars ook weleens hebben geconstateerd nadat ze de verpakking van hun produkt eventjes op briljante wijze dachten te verbeteren. Hadden we dus met onze tengels van de muren moeten afblijven?

 

Ligt het aan de kleur blauw dat de klaagmuren amper meer post ontvangen? Associëren we het nuchtere blauw met dienstmededelingen en politieagenten, en niet met zaken van het hart?

 

Of ligt het aan dit specifieke blauw: het VU-blauw? Lijken de klaagmuren daardoor  opeens een verlengstuk van de universitaire overheid en vreest men dat faculteitsbestuurders en misschien zelfs Lex Bouter en René Smit gretig de geposte hartenkreten lezen om zich ervan te vergewissen of er op de campus geen onlusten smeulen?

 

Of zou het gewoon zo zijn dat een klaagmuur helemaal niet opzichtig zichtbaar  moet zijn, maar stilletjes in een hoekje hoort te staan, met bescheiden uitgestrekte armen?

 

Wie het weet, mag het zeggen. Ergens in onze tempel van wijsheid en wetenschap moet iemand te vinden zijn die dit mysterie kan ophelderen.

 

      

Comments (1)

Zwitserlevengevoelgoeroes

[4 juni]

 

Ik begin even met een omslachtelijke zijsprong. In 2008 nodigde de CPNB, de organisator van de boekenweek, mij uit om het  boekenweekessay te schrijven. Het thema was dat jaar De derde leeftijd, oftewel het laatste deel van ons leven: de ouderdom. Ik vond het een fantastische opdracht.

 

Het viel mij namelijk al een tijdje op dat de ouderdom tegenwoordig zo ongeveer wordt beschouwd als een van de meest ondraaglijke imperfecties van de schepping. Iedereen wil jong en vitaal zijn en op zijn tachtigste nog rondspringen als Rob de Nijs of Mick Jagger de Tweede. Niet geheel onbegrijpelijk, maar helaas vooral: in het geheel niet realistisch.

 

Want om te beginnen is ouder worden geen kwaal, afwijking of deficiëntie: het is een natuurlijk proces dat al bij onze geboorte begint. En in de tweede plaats vond en vind ik het barbaars dat door de jacht op de eeuwige jeugd en het streven naar ‘leeftijdloos’ ouder worden,  voorbij wordt gegaan aan de intrinsieke waarde van generatieverschillen.

 

Enfin, ik schreef het essay waar de CPNB om had gevraagd (en binnen drie dagen waren er 80.000 exemplaren van verkocht, hoe vaak maakt een mens zoiets mee? Ik viel zowat flauw toen ik het hoorde).    

 

Mijn centrale stelling in dat boekje was dat het hele concept van de zogeheten derde leeftijd (de term alleen al is een behoorlijk verdacht eufemisme) een verzinsel is van reclame- en marketingstrategen, van Zwitserlevengevoelgoeroes en beleidsmakers die zelf moeite hebben met ouder worden. Pak de Nordic wandelstokken en loop even een eindje met me mee:

 

Verouderen is een hele opgave. De laatste fase van ons leven brengt immers onvermijdelijk verlies en verdriet met zich mee, om over fysiek lek en gebrek nog maar te zwijgen. We bewijzen onszelf noch de samenleving er een dienst mee door dat te willen ontkennen of verdoezelen. Maar oud worden kan ook heel verrijkende kanten hebben. Iets meer begrijpen van alle onbegrijpelijkheden van het bestaan, bij voorbeeld. Of eindelijk durven afdalen in de stilte van je eigen hart. En die ‘winst’ kan toch ook niet zomaar worden weggewimpeld, alleen maar omdat we zonodig hysterisch JONG!JONG!JONG! willen blijven?

 

En wat, is ook de vraag, gebeurt er met bejaarden die niet ‘succesvol’ oud worden? Die de pech hebben gammele genen te beziten, of die om een andere reden onderuit gaan? Worden zij straks beschouwd als out-casts, mislukkelingen en losers ? Dat zijn belangrijke vragen voor een samenleving die vergrijst en die het (onder druk van financiële kwesties) zal moeten hebben van sociale cohesie, begrip en menselijke warmte.

 

Maar terzake nu. Had ik destijds tijdens het schrijven van mijn boekenweekessay maar geweten dat er zich op de VU een ware goudmijn bevindt aan onderzoeksgegevens over ouder worden, en wel bij LASA (Longitudinal Aging Study Amsterdam), waar ondermeer al bijna twintig jaar lang duizenden Nederlanders worden gevolgd in het proces van verouderen, om in kaart te brengen wat de vragen en behoeftes zijn die zich daarbij voordoen.

 

NIRWANA: Vorige week mocht ik een paar uur lang speeddaten met onderzoekers van LASA. Ik zat achter een tafeltje met lekkere broodjes, en zij raasden langs met stapels interessante bevindingen, terwijl de eierwekker meedogenloos doortikte. Ik had er best een week willen zitten om nog veel meer te weten te komen, want als je het nu hebt over maatschappelijk relevant en noodzakelijk onderzoek, dan zeg je LASA.

 

Ik kan hier geen recht doen aan de rijkdom van gegevens afkomstig uit dit opmerkelijke instituut van de VU. Een kleine, onmachtige greep dan maar, en geheel in mijn eigen woorden:

 

  • LASA-onderzoek wijst uit dat het een mythe is dat we tegenwoordig ‘gezonder’ oud zouden worden. Ja, we worden ouder dan onze voorouders, dat is waar. Maar juist doordat de medische kennis en kunde zo is toegenomen, gaan we tegenwoordig óók niet meer lekker rustig dood aan bij voorbeeld een beroerte. We blijven nu ‘alleen’ nog jaren met de gevolgen daarvan opgescheept.
  • Hoe ouder je wordt, hoe ongezonder je leefstijl kan worden. Steeds minder beweging, steeds meer obesitas, en er worden onder derdeleeftijders ook nog eens steeds meer glaasjes achterover gekieperd. Al die dingen leiden tot het tegendeel van het beeld van de rondhopsende Zwitserlevengevoelbejaarde.        
  • Is het wel waar dat langer doorwerken leidt tot het in stand houden van je cognitieve repertoire? Nee, lijkt LASA-onderzoek uit te wijzen. Dus wat klopt er dan van de veelbezongen ‘use it or lose it’-theorie, en wat betekent dat voor het AOW-beleid?
  • Maakt het moment van pensionering, opgelegd of zelfgekozen, überhaupt uit?
  • Is het zinvol om samen met het bedrijfsleven te onderzoeken hoe voedingssupplementen een bijdrage kunnen leveren aan de uitdagingen die ‘de vergrijzing’ ons stelt?
  • Wacht even, bepaald niet onbelangrijk: hoe kun je dit ‘per definitie onsexy terrein’, zoals een van de onderzoekers die ik sprak het noemde, een beetje oppimpen? Misschien door evolutionaire kwesties aan te roeren. Vroeger gingen vrouwen  in hun zoveelste kraambed gewoon netjes dood. Tegenwoordig hebben ze opeens zoiets als de meno-pauze: de stumpers zijn allang niet meer vruchtbaar, hun rol is uitgespeeld, maar ze leven maar door. Astrante types, ja. Maar zou de meno-pauze wellicht een nieuw evolutionair doel kunnen dienen? Onderzoek laat zien dat er méér babies worden geboren als oma bereid is tot babysitten…

 

Ik kan nog uren doorgaan. Maar uw tijd is vast beperkter dan de mijne.

 

NB: U heeft een up-date over de klaagmuren van mij tegoed. Interessant in dit verband: aan de hartenkreten die ik in de muren aantref, valt af te leiden dat alleen de jonkies onder ons, de studenten, graag gebruik maken van de geboden ‘helende werking van schrijven’.

Neem geen genoegen met deze generatiekloof! Doe mee en stort anoniem en vrijelijk uw hart uit. Wees geen sukkel!

 

         

 

      

Comments (1)

Next »