[ 21 mei ]
Het hoort bij mijn werk op de VU om zo veel mogelijk mensen van dienst te zijn. Of je nou een criminoloog bent die bezig is de biografie van een boef te schrijven, een hoogleraar die een dosis ‘imperfectie van de schepping’ op een college wenst, een groep aio’s die toegankelijker willen leren schrijven, of een student journalistiek die een workshop wil organiseren: bij mij kun je terecht.
Dat brengt me tot in alle uithoeken van de VU, op de meest bijzondere instituten en afdelingen. Als buitenstaander kijk ik vaak mijn ogen uit. Voor de VU-gemeenschap zelf lijkt het allemaal niet zo opmerkelijk te zijn. Er heerst op de campus een cultuur van bescheidenheid die grenst aan het deemoedige. Steek je licht toch niet zo onder de korenmaat, mensen! Enig borstgeroffel mag best, op zijn tijd. Zou ik ooit zijn gekomen waar ik ben als ik niet levenslang standaard in het passeren iedere voorbijganger door elkaar had gerammeld onder het toeschreeuwen van: ‘Koop mijn nieuwe boek! Het is geweldig!’?
Ook op de afdeling Nederlands Tweede Taal (NT2), waar ze al sinds 1962 cursussen Nederlands aan anderstaligen verzorgen, vinden ze hun werk de gewoonste zaak van de wereld. In mijn ogen is het anders nogal wat: mensen het instrumentarium verschaffen om ver van huis een nieuw leven op te kunnen bouwen. En dat niet alleen. NT2 adviseert de overheid over inburgeringsprojecten, ontwikkelt lesmateriaal en organiseert projecten zoals ‘De deur uit’ voor allochtone vrouwen die weinig in de Nederlandse samenleving participeren. En krijgt daarbij ook nog eens de hoogste cursistentevredenheidsscore van Nederland, een woord dat op zichzelf al mooi genoeg is om in te lijsten.
Onlangs mocht ik een ochtend lesgeven aan hun cursisten, afkomstig uit Venezuela, Polen, Irak, Nepal, Nieuw-Zeeland, Rusland, Indonesië, Engeland, Peru… Mijn thema was dat taal niet alleen dient tot nut, maar ook tot sier en plezier. Om dat plezier aan te wakkeren liet ik de cursisten vrolijke schrijfoefeningen doen. Dat doe ik in ander verband wel vaker, maar nu had ik te maken met mensen die niet alleen op mijn bevel hun verbeeldingskracht moesten zien te mobiliseren, maar ook een vreemd vocabulaire. Ik was benieuwd.
Ooit, toen ik gastschrijver aan de Universiteit Leiden was, had ik een student die even baldadig als getalenteerd was. Hoe de opdracht ook luidde, hij kwam altijd op de proppen met iets tegendraads en origineels. ‘Maak invoelbaar dat iemand ergens volkomen panisch voor is’, was bij voorbeeld zo’n oefening. Hij leverde een stuk in dat echt ijzingwekkend spannend was. Het ging over de tergende angst van een potlood voor de puntenslijper.
Dankzij hem is mijn schrijfoefeningenrepertoire uitgebreid met een opdracht om je te verplaatsen in het gevoelsleven van een voorwerp. Voor de cursisten NT2 was dat voorwerp een plastic wegwerpbekertje. Na wat gesteun en gekreun sloegen ze allemaal als bezetenen aan het schrijven.
Twintig minuten later moesten ze een voor een het resultaat voorlezen.
‘Ik ben het gelukkigste bekertje op aarde,’ begon iemand, glimmend van genoegen, om te eindigen met de uitsmijter: ‘Ik word elke dag gekust.’
Er was ook een bekertje met een minderwaardigheidscomplex, dat naar een glazen vriendin verlangde. Er was een bekertje dat had geleden onder de staking van de schoonmakers. Er waren filosofische bespiegelingen over de vraag half vol of half leeg, en over het leven op de bodem van de prullenbak. Het allermooist was misschien nog wel een waarlijk onheilszwanger verhaal over een stapel bekertjes in een koffieautomaat, die zich de vraag stellen waartoe zij op aarde zijn: ‘We weten dat we hier met een doel zijn, maar niet precies met welk’, totdat voor ieder van hen het moment aanbreekt dat er kokendhete koffie in ze wordt gestort.
Wat een voorrecht om getuige te zijn van al deze uitbarstingen van creativiteit. Het was dat ik geen cijfers hoefde te geven, anders had iedereen van mij een tien gekregen: mijn schrijverstevredenheidsscore was bijzonder hoog. Chapeau voor de cursisten én voor de afdeling NT2.
Comments