[7 november]
Een bericht uit de klaagmuur. Een student economie vindt dat studeren ‘ontzettend slecht’ is voor zijn Engels. Hij moet de godganse dag luisteren naar Dunglish, een armzalige taalvariant die nog minder voorstelt dan het krukkigste steenkolenengels. Hij heeft een jaar in de VS gewoond en ziet, nu bij ons op de VU, zijn angelsaksische taalvaardigheden snel afnemen. Er zijn docenten die hem niet eens begrijpen als hij bepaalde uitdrukkingen gebruikt. Hij vindt de hele toestand kortom een aanfluiting.
Het is een oude kwestie, wel of niet onderwijs in het Engels aan de Nederlandse universiteit, maar voor mij als academische buitenstaander is het nog steeds een reusachtige rariteit. Sta ik bij de lift, hoor ik iemand zeggen: ‘I can stand behind your point’. Of aan tafel aangeschoven bij een gezelschapje in de mensa: ‘Now that we are sitting on this table.’
En dan hebben we als Nederlanders doorgaans ook nog dat afgrijselijke accent…
Nijpend werd De Kwestie ineens toen ik zelf werd gevraagd een college in het Engels te verzorgen. Ja, nee, heus, dat was onvermijdelijk, want al zat er bij dat college maar één buitenlandse student tussen zestig Nederlandse, dan moest die ene toch ‘geaccomodeerd worden’. Volstrekt vruchteloos verzette alles in mij zich hiertegen. Ik wierp vele principes in de strijd, met niet als geringste mijn aanstelling als Nederlandse Schrijver op Locatie. Neem dan Ian McEwan of Hilary Mantel, en niet mij.
Wat maakte dat ik – zonder enig effect trouwens – zo de hakken in het zand zette?
Ik ben writer-in-residence geweest aan een Amerikaanse universiteit en deelnemer aan de Iowa’s International Writer’s Workshop. Ik geef nog steeds met enige regelmaat masterclasses in de VS en ik ben bovendien zowat getrouwd geweest met een Schot (het scheelde maar een haar of ik was achter een spinnenwiel in de Higlands geëindigd), dus ik spreek wel met enig gezag als ik uit eigen jarenlange en intensieve ervaring met het Engels vaststel dat het ontzettend moeilijk is om in een andere dan je moerstaal echt scherp te denken en te formuleren.
En daar gaat het nu om.
Alle argumenten vóór de ‘internationalisering’ van de kennisindustrie of –economie vallen daarbij voor mij in het niet. Zeker, het is ook voor Nederlandse studenten die een jaartje naar het buitenland willen, super relaxed om het engelstalige vakjargon al te kennen. Dat daarmee, met het verdwijnen van het Nederlandse vakjargon dus, het Nederlandse cultuurgoed eveneens wordt bedreigd (ik herinner me een fantastisch betoog hierover, ooit, van een docent aan de TU, ik geloof dat het over het woord ‘polder’ ging) is al ernstig genoeg. Maar dat docenten en studenten een obstakel voor de voeten geworpen krijgen dat de finesse en de eloquentie van hun denken en formuleren beperkt, is bij uitstek aan een universiteit te vreemd voor woorden.
Ik zou zeggen: een universiteit moet zich zien te onderscheiden door voortreffelijk onderwijs (en onderzoek), en niet door het half verlammen van knappe geesten die dag in dag uit koortsachtig lopen te zoeken naar het juiste voorzetsel of de correcte werkwoordvervoeging in een vreemde taal. En als dat onderwijs (en onderzoek) eenmaal zo uitmuntend is dat het buitenlanders aantrekt, dan zullen die buitenlanders er meer dan dolgraag speciaal Nederlands voor willen leren.
Als roker en als katholiek (en dus bekwaam in Jezuïtisch denken) zie ik ook nog een andere uitweg, namelijk het én/én model. Bied Bijspijkerengelscursussen aan voor studenten die een internationale studie- of werkcarrière ambiëren. Bijspijkernederlandscursussen heeft de VU immers ook. Maak voorlichtingsmateriaal en studie-informatie beschikbaar in beide talen. Stel studenten-zonder-vreemdetalenknobbel in elk geval in staat hun werkstukken in het Nederlands in te leveren en op die manier kenbaar te maken wat ze écht weten en kunnen. En besef ook wat dit zou betekenen voor (bijvoorbeeld allochtone) studenten met een taalachterstand.
Vorige week sprak ik op de campus een Nederlandse taalwetenschapper. Hij had net met een student overleg gehad over diens scriptie, een werkstuk dat ging over Mary, de moeder van Jezus.
‘Hm?’ zei ik bevreemd.
Hij haalde zijn schouders op. ‘Hij heeft uiteraard alleen maar engelstalige literatuur gelezen.’
Mary, de moeder van Jezus.
What more can I say, Your Honour? I rest my case.
(Nawoordje. Een vriendin van me geeft Engels aan een HBO-instelling. Onlangs oefende ze met haar studenten onregelmatige werkwoorden. Vervoeg to cut. Vervoeg to think. Vervoeg to shoot. Bij dat laatste woord schoot een student uit zijn slaapstand omhoog en riep luidkeels: ‘Pief, paf, poef!’)
Beste mevrouw Dorrestein,
Wat de student die zich zorgen maakt over zijn beheersing van het Engels waarschijnlijk nog niet weet, is dat de VU hier zich wel degelijk iets van aantrekt. Gelukkig! In januari 2009 is het VU-taalbeleid officieel van start gegaan. Belangrijkste doelstelling: het wegnemen van belemmeringen op het gebied van taalbeheersing bij studenten en docenten, voor de talen waarin onderwijs wordt gegeven en onderzoek wordt gedaan: Nederlands en Engels dus. Onder andere de bijspijkercursussen Nederlands die u noemt worden in dit kader gegeven, ze vormen een verplicht onderdeel van het curriculum voor alle eerstejaarsstudenten die laag scoren op de taaltoets Nederlands, ook al een verplicht onderdeel van eerste bachelorjaar. Iets minder in het oog springend misschien, maar niet minder belangrijk, is de aandacht die wordt geschonken aan de taalbeheersing Engels door docenten. Al ruim 200 docenten hebben een toets afgelegd die met name hun spreekvaardigheid evalueert. Komt u een keer langs bij het Taalloket, dan vertellen we u alles over het VU-taalbeleid. U bent van harte welkom.
Met vriendelijke groet, namens het Taalloket,
Eline en Marloes
Posted by: Taalloket | 11/10/2010 at 10:27 AM