[30 december]
Wie aan de VU studeert, krijgt daar een Schrijver op Locatie bij cadeau. Wie aan de VU Nederlands studeert, krijgt de gelegenheid om ook nog een stel andere auteurs te ontmoeten, via het college Schrijvershuisbezoeken. Daarin worden vier romans besproken, beschreven, geanalyseerd en gepresenteerd, waarna de schrijvers ervan thuis worden opgezocht om een en ander nog eens te verifiëren. Welke andere Nederlandse universiteit doet zoiets? Dit is echt een bijzonder initiatief van onze Faculteit der Letteren.
Mij bood dit college bovendien de kans om een groep studenten eens wat langduriger te volgen. Meestal kom ik overal op de campus maar eenmalig, op verzoek, voor iets speciaals, maar nu zaten we acht weken over en weer aan elkaar vast.
Ik stel me bij zulke gelegenheden graag voor dat ik een antropoloog ben, op bezoek bij een vreemde stam. Er valt een hoop te onderzoeken, te ontdekken en interessant te vinden, maar zelfs tijdens het hartstochtelijk gezamenlijk stampen in de kring of het doorgeven van de piri-piri moet je je niet verbeelden dat je er echt onderdeel van uitmaakt.
In dit geval werd dat gevoel nog eens gevoed door het feit dat de wereld van de wetenschap mij vreemd is. Ik heb zelf niet gestudeerd en het hele academische bedrijf heeft daardoor soms een intimiderende, maar vaak ook een lichtelijk bedwelmende werking op me (‘Kijk mij nou!’). Na elf maanden op de VU heb ik pas onlangs een docent een definitie van wetenschap horen geven die ik ten volle begreep: ‘Wetenschap bedrijven is vragen stellen.’
Interessant dus, om eens te bezien met wat voor soort vragen de studenten met wie ik op schrijvershuisbezoek zou gaan, op de proppen zouden komen. Zouden zij, literatuurwetenschappers in spe, heel andere vragen stellen dan er gebruikelijk bij literaire lezingen in bibliotheek of boekhandel uit het publiek komen?
Eigenlijk niet, luidde het antwoord al snel. Wanda Reisel, Pia de Jong en Thomas Rosenboom, die ons allen hartelijk met koek en zopie voor achttien personen ontvingen (onze vierde man, Joost Zwagerman, was op het laatste moment helaas verhinderd), kregen de geijkte vragen. Hoe ziet uw werkdag eruit? Waar haalt u uw inspiratie vandaan? Bouwt u een persoonlijke band met uw personages op? Hoeveel research doet u? Hoe beleeft u de recensies van uw werk? Hebben uw boeken een boodschap? Bent u bezig met een nieuwe roman? Vindt u dat alles in een boek met elkaar moet kloppen of mogen er ook losse eindjes zijn? Schrijft u met ‘de lezer’ in het achterhoofd?
Allemaal legitieme vragen, en tja, wat moet je ook anders aan een auteur vragen, behalve wanneer je specifiek ingaat op een bepaalde titel?
Er was eigenlijk maar één ding dat me opviel, en dat begon al in de oefenronde vooraf, waarbij ik de rol van de te bevragen auteur speelde. Gevraagd naar mijn literatuuropvatting antwoordde ik dat verhalen er volgens mij al zijn voordat de schrijver ze heeft opgeschreven. Ze zweven als ongeboren kinderzielen in de kosmos, op zoek naar een verteller. Als schrijver doe je eigenlijk niets anders dan ze ‘vertalen’ opdat ze toegang krijgen tot andermans hoofd en hart.
Dat er zo weinig doelgerichtheid aan te pas kwam, dat konden de studenten eenvoudig niet geloven. Sterker, dat weigerden ze. En geef ze eens ongelijk, want waar komen alle literatuurwetenschappelijke theoriën en formules vandaan, als schrijvers eigenlijk maar een beetje op hun gevoel varen en wat rondhengelen in de kosmos? O wee, dacht ik al snel, zij vermoeden een hele machinerie achter mijn werk die domweg niet bestaat. Ik schrijf en herschrijf gewoon net zo lang totdat het ineens allemaal samenvalt.
‘Ik werk hoofdzakelijk op mijn intuïtie,’ zei Wanda Reisel.
‘Ik probeer meestal gewoon allerlei dingen uit,’ zei Pia de Jong.
‘Het is toch vaak toeval waar je op stuit,’ zei Thomas Rosenboom.
Ongelovige, zelfs ongelukkige gezichten bij de studenten. De dingen moeten toch kloppen en daar werk je toch bewust aan? Net zo goed als je jezelf met opzet in een literaire traditie probeert te schrijven?
Makers denken vermoedelijk nooit dat hun werk pas bestaat bij gratie van doorgronding ervan. Onderzoekers bestaan zélf bij de gratie daarvan. Dat zal het hele misverstand wel zijn.
‘Je hoeft je eigen werk niet te snappen, je hoeft het alleen maar te schrijven,’ zei Hella Haasse ooit tegen mij. Wij schrijvers zijn een deksels fortuinlijk stelletje, vergeleken met degenen die ons werk bestuderen en pogen te duiden, zo veel is me duidelijk geworden. Wij behoren niet tot de stam der literatuurwetenschappers. Daarom kijken we onze ogen er zo op uit. Ik althans wel. En later worden deze studenten misschien literatuurrecensent, maar dat zien we dan wel weer.
Comments