Ben je student of medewerker van de Vrije Universiteit en heb je altijd al willen acteren in een film? Schrijf je dan in voor de audities van Boelelaan, een korte film van Peter Wollring en Ronald Giphart.
Regisseur Peter Wollring heeft ieder jaar een filmproject rondom de Schrijver Op Locatie van de Vrije Universiteit.
Dit jaar hebben Wollring en Giphart gekozen voor de verfilming van een door Giphart geschreven scenario. Alle rollen zullen worden gespeeld door studenten en medewerkers van de VU.
Boelelaan is een korte film over studeren en het echte leven – meer kunnen we er nu nog niet over zeggen...
Wij zoeken enthousiaste acteurs en actrices (in spe). Acteerervaring is een pre, maar hoeft niet per se. Een mooie kans, wel onbetaald – het is een low-budget productie.
Geïnteresseerd? Stuur voor 15 november 2011 een korte motivatie plus foto naar filmvu@xs4all.nl. Kort daarna zijn er audities. De opnamen vinden plaats in december of januari en duren 2 tot 3 dagen.
Deze column stond op 21 juni 2011 in de Volkskrant. Daags ervoor schreef ik de bijdrage in samenwerking met het VU-bachelorscollege 'Stijl en genre van columns'. Dank aan alle studenten en de beide docenten voor hun hulp en inbreng.
Live-Column
Nico Dijkshoorn schrijft bij DWDD ter plekke zijn gedichten, en dat lijkt me zenuwslopend. Theodor Holman schreef en plein public een roman in de etalage van de Bijenkorf. En ik zit in mediazaal 11B-10 van de Vrije Universiteit om - bekeken door dertien studenten en docenten - deze column te maken, as we write.
Het is 10.05 uur, maandagochtend, mijn doodlijn is om 14.00 uur. Ik zit in mijn eigen Laatste Avondmaal van Da Vinci. Op een groot scherm is te zien wat ik typ. Action writing. Spannend, want waar moet deze column in godsnaam naartoe?
De studentes hebben zich de afgelopen maanden beziggehouden met het bachelorvak 'Stijl en genre van columns'. Er wordt wereldwijd nauwelijks analytisch onderzoek gedaan naar het schrijven van columns. Mede daarom heeft deze werkgroep wekenlang cursiefjes doorgevlooid op stijlfiguren, aanspreekvormen, neologismen en zinsbouw. Zo blijkt uit een kwantitatieve analyse dat Sylvia Witteman - goed dat dit eens wetenschappelijk wordt aangetoond - betere stukken schrijft dan Grazia-columniste Sylvie van der Vaart.
10.22 uur. De tijd begint te dringen. Ik moet een onderwerp hebben. Joyce stelt 'het schrijfproces' voor. Melanie wil het hebben over Griekenland. Madelin oppert onverdoofd slachten. Iemand roept Ikea. Iemand anders het broekverbod bij badminton. 10.46 uur. Ingrid oppert het gebruik van neologismen, oftewel nieuwwoorderigheden. Nergens meer dan in columns wordt er geëxperimenteerd met nieuwe taal. Studente Anne heeft hier onderzoek naar gedaan. Aaf gebruikte ooit 'becollega'd' (bevriend zijn met een collega), Dijkshoorn 'levende baarkruk' (een omschrijving voor een vrouw), Jan Mulder 'wasdaggerigs' en Youp van 't Hek 'aarsbisschop'.
11.31 uur. Er melden zich meer bezoekers. Het gerucht dat eenVolkskrant-columnist live zit te columneren is door de gangen van de Letterenfaculteit gegaan. Melanie heeft het getwitterd (hashtag #livecolumn). Rachid klopt aan. En Eric, van het Taalcentrum-VU.
11.59 uur. Waarover schrijven we? Mayke oppert het gebruik van overdrijvingen in columns. Wetenschappelijk een problematisch gegeven, want wanneer is een hyperbool een hyperbool? Hoe ver mag een overdrijving gaan? Wat is waar en wat is niet waar? Er zijn subtiele overdrijvers als Bril en seriële, bijna pathologische overdrijvers als Dijkshoorn en Witteman.
12.49 uur. Onderhand is het stampvol in lokaal 11B-10. De menigte discussieert bijna verbeten mee. Totaal onbekende jongens staan te roepen. En onder deze druk moet ik dus blijven schrijven. Nóg meer onderwerpen. Exotische dierenseks. De liefdesbaby van Joran.
13.07 uur. Rachid vindt dat we het moeten hebben over de multiculturele samenleving. Er hebben zich nu ook medewerkers buiten opgesteld. Ik hoor mezelf niet meer denken. Kim, een meisje met een doodshoofdshawltje, heeft de laptop van me overgenomen. Ze krijst dat deze column over hyperboliseren moet gaan. Joyce schuimbekt dat #Livecolumn trending topic is in Amstelveen.
13.37 uur. Ik weet mijn laptop terug te grijpen van Iris, die met Rachid samenspant. Ze willen op Facebook een columnmanifestatie organiseren. Er wordt inmiddels ook gevochten. Het kamp 'onverdoofd slachten' hakt in op de groep 'broekloos badminton'.
13.58 uur. En zo kom ik, in deadlinenood, zenuwslopend actieschrijvend eindelijk bij mijn onderwerp. Gadegeslagen door een groep columnwetenschappers werp ik mijn lasso om zijn hals en steek een speer in zijn buik: een columnist op zoek naar een onderwerp is als een hongerig roofdier op zoek naar een prooi.
En zo ben ik plotseling in een fase van mijn leven dat ik meerdere keren per dag de lift neem. Alles voor de wetenschap. Decennialang stond ik hooguit een paar keer per jaar in een lift, maar sinds een tijdelijke aanstelling als huisschrijver van de Vrije Universiteit in Amsterdam maakt verticaal reizen wezenlijk onderdeel van mijn leven uit.
Dit jaar mag ik mij als ‘schrijver op locatie’ onderdompelen in de cour d’intelligence die VU heet. Voor iemand die altijd in eenzaamheid werkt een bijzondere ervaring. Collega’s. Vaste tijden. Vergaderingen. Een kantine. Kroketten. Kaassoufflés. Dagspecials.
En liften dus. De schrijvers op locatie hebben een eigen bureautje op de 11e etage van het hoofdgebouw, uitkijkend op de campus, basketballende studenten en het helicopterplatform van de medische faculteit. Er zijn twaalf liften die mij naar mijn hemelse hokje kunnen brengen.
Ai, there’s the rub. Want er is iets vreemds met die liften. Niemand die kan verklaren wat er aan de hand is, maar de wachttijden zijn vaak onmetelijk en als een lift eindelijk is gearriveerd, stopt deze vervolgens op iedere verdieping om immense groepen studenten op te pikken. Iedereen laat dit overigens gelaten over zich heen komen.
Voor een schrijver zijn die liften een mer á boire. Een paar weken geleden ben ik als een zelf beëdigd ‘VU-liftboy op locatie’ een halve dag lang op en neer gegaan, om te luisteren naar fascinerende gespreksflarden van de liftreizigers (‘Simon heeft zijn moeder voor Moederdag € 22,50 gegeven’).
Gedurende deze bezigheid viel me iets op, waarvan ik aanvankelijk dacht dat het te maken had met het veranderende Nederland: vrijwel niemand lijkt elkaar nog te groeten in de lift. Mensen komen en vertrekken zwijgend. Ik ben geen socioloog of historicus, maar er staat me bij dat dit vroeger anders was.
En dus bedacht ik een klein onderzoek, niet-significant en met mezelf als proefpersoon (n=1). Ik besloot 40 keer van de begane grond naar de 15e etage te gaan en weer terug. 80 ritten in totaal. Ik verdeelde deze tochtjes onder in 2 groepen: Passief (P) en Actief (A). Bij ritten van het type P keek ik emotieloos voor me uit en groette ik uitsluitend als een binnenkomer dat eerst deed.
Bij type A begroette ik iedereen die de het lifthokje binnenkwam, ongeacht of de studenten of medewerkers mij vriendelijk aankeken of niet. Dat kwam natuurlijk soms een beetje psychopathisch over, maar dat risico nam ik ten behoeve van de wetenschap.
In beide handen hield ik een mechanische teller: links om het aantal passagiers bij te houden en rechts om te turven wie mij groette. De resultaten waren spectaculair, al zeg ik het zelf.
Bij groep P telde ik in totaal 192 personen, van wie er 14 mij uit zichzelf groetten. 7,29 procent. Een verrassend lage uitkomst.
Bij groep A stonden er opgeteld 183 mensen met mij in de lift, van wie mij 179 teruggroetten. Dat is 97,81 procent. Een onwaarschijnlijk groot verschil.
Nu noemt de van oorsprong gereformeerde VU zichzelf ‘een maatschappelijk betrokken onderzoeksuniversiteit’, vandaar dat ik er niet voor schroom om een stichtelijke conclusie uit mijn onderzoek te trekken en deze ten behoeve van het algemeen nut te delen: wie groet wordt teruggegroet. Verbeter de wereld, begin met groeten.
Een paar maanden ben ik nu Schrijver op Locatie van de Faculteit der Letteren. Die locatie is: de Vrije Universiteit. Een jaar lang mag ik, in navolging van vier illustere voorgangers, op deze universiteit rondlopen om colleges te geven, colleges te volgen, om me heen te kijken, te snuffelen, rond te lopen en zoveel mogelijk mensen te ontmoeten.
In februari kwam ik hier aan als groentje, als een eerstejaars bijna, vol van hoopvolle verwachting en ongedefinieerde angsten. Zou de VU me omarmen? Zou het gebouw zijn geheimen prijsgeven? Zou ik mogen meevliegen in die bijenkorf van studenten, docenten en medewerkers? Werkten er vriendelijke mensen bij de Faculteit der Letteren? Wat was het menu in de kantine?
De afgelopen vijftien jaar van mijn leven heb ik in alle eenzaamheid op een werkkamer doorgebracht, schrijvend en lezend. Plotseling bevond ik mij in een enerverende, drukke, meeslepende, boeiende, energieke werkomgeving, een cour d’ intelligence, een forum intellectuale, een plek waar wordt geleerd, nagedacht, geschreven en gezocht naar antwoorden op kleine en grote vragen.
Een plek met geschiedenis ook, waar decennia onderwijs en onderzoek naädemen in het heden. Ik las dat de eerste colleges van deze universiteit in 1880 werden gegeven in een Schotse Zendingskerk die we thans kennen onder de naam De Kleine Komedie, een van mijn favoriete plekken op aarde!
Op mijn eerste werkdag hier op de VU, een vrijdag in januari, werd ik rondgeleid door het Hoofdgebouw, langs mijn werkkamer, gangen, hallen, collegezalen, faculteiten, studieclubs, hoekjes, kelders, kantine en gebedsruimten. Van de laatsten viel met name op dat de islamitische zalen ’s middags overvol waren en de christelijke een oase van rust.
Nu ik eenmaal mijn weg op de universiteit heb gevonden kan ik me niet meer voorstellen dat ik toen zo verloren liep in het gebouw liep. En verloren liep ik. Verkeerde gangen nam ik, ik kwam stelselmatig op verkeerde verdiepingen, ik nam verkeerde trappenhuizen. Uren van mijn leven heb ik gewacht op de zes liften naast de Centrale Hal en de zes liften aan het einde van de A-vleugel.
Dit is - even terzijde - wat ik niet begrijp: voor een universiteit met zoveel talent en kennis werken die twaalf liften tezamen toch onnavolgbaar? Bij wijze van experiment zou ik wel eens een dag lang alleen maar de lift willen nemen, op en neer, met de volstrekt willekeurige regelmaat waarmee de krengen omhoog en omlaag gaan. De 15e etage indrukken en dan stoppen op de 2e, 3e, 4e, 5e, 6e, 7e, een minuut of drie, 8e, 9e, enzovoort. En dan opschrijven wat ik hoor.
Staande in de lift heb ik al zoveel beschrijven waardigs gehoord. Jarenlang ben ik op pad geweest met wijlen Martin Bril, die als columnist van de Volkskrant van afluisteren zijn core business maakte. Hij leende voor zijn stukken regelmatig wat hij om zich heen hoorde. De lift in het hoofdgebouw zou Martin zeer hebben gewaardeerd.
Misschien moet ik te zijner tijd, als een zelf beëdigd VU-socioloog Op Locatie, ook maar eens notities maken van gesprekken in de lift. Uitspraken over onderzoeken, studentzaken, jongens, meisjes, maar ook lachwekkende verzuchtingen als: ‘Weet je dat Simon zijn moeder voor Moederdag € 22,50 heeft gegeven om zelf een cadeau te kopen?’
Het beeld van de lift is metaforisch voor wat wetenschap is. Ik heb inmiddels twee favoriete plekken hier op de Vrije Universiteit. Op de eerste plek ben ik voor de serie ‘Bouwstenen voor kennis’ gefotografeerd: de kelder.
Ik raakte er verzeild in het gezelschap van een medewerker van de laserafdeling daar aan de overkant. Voor een stukje in de Volkskrant had ik op twitter een vraag gesteld over de Ideale Zeeuwse Bolus, waarop een VU-medewerker even naar mijn kamer kwam, om als rechtgeaarde Zeeuw zijn mening over de bolus te geven. Als Zeeuwen ergens trots op zijn zijn het hun bolussen.
Vol enthousiasme vertelde de man over zijn laserafdeling, waarop ik vroeg of ik zijn opstellingen mocht bekijken. We namen een short cut via het immense gangenstelsel onder dit plein. Wat een geweldige plek. Wetenschap gaat als gezegd over de ontelbare vragen die wij ons kunnen stellen. Hoe is het heelal ontstaan? Wat maakt een mens een mens? Hoe maken we mensen beter? Waarom gedragen we ons zoals we ons gedragen? Wat zijn goede boeken? Wat is leiderschap? Hoe houden we de wereld draaiend? Waarom heeft een vlinder 12.000 ogen? Waarom is de mens het enige dier met een kin?
Wetenschap kan niet zonder fundamenten en bouwstenen, zonder een gedegen wetenschappelijke methode, zonder bevlogen medewerkers en enthousiaste docenten. Dat is de basis, waarop de wetenschap steunt: de gangen, de buizen, de kelders en krochten waar we nu met elkaar op staan.
Maar ik heb, als gezegd, nóg een favoriete plek hier op de universiteit, en die ligt op de 15e verdieping, hoog uittorenend boven de campus. Er zijn daar twee terrassen waar uitgekeken kan worden op het terrein.
De in 1996 overleden sterrenkundige Carl Sagan, naar wie onder andere een marslander is vernoemd, noemde het ‘geïmponeerde verwondering’. Hij schreef: ‘Het gevoel van geïmponeerde verwondering dat de wetenschap ons kan geven, is een van de opperste ervaringen waartoe de menselijke geest in staat is. Het is een diepgaande, esthetische emotie die op één lijn staat met het mooiste dat muziek en poëzie kunnen verschaffen.’
Geïmponeerde verwondering is precies wat ik ervaar als ik vanaf de 15e verdieping naar beneden kijken, het uitzicht op de energieke bedrijvigheid van een volle toeren draaiende universiteit. Dat zijn momenten dat ik er spijt van heb dat ik als schrijver het grootste deel van mijn tijd alleen doorbreng. En daarom ben ik zo blij met mijn aanstelling als Schrijver op Locatie.
Ieder gezond mens wordt geplaagd door een verfrissend gevoel van zelfhaat. De afgelopen maanden hebben er verschrikkelijk grote foto’s van mij gehangen in de gebouwen van de VU. Stelt u zich eens voor wat het met mij doet om mezelf voortdurend zo achterlijk groot tegen te komen. Ik ben ook een mens.
Enfin. Op de posters met die verschrikkelijk grote foto van mij staat de mededeling dat ik als Schrijver Op Locatie altijd bereid ben tot stijladvies en hulp bij het schrijven. Tot nu toe hebben enkele studenten, medewerkers en schrijvers in spe mij weten te vinden.
Om de aanvragen voor hulp bij het schrijven een beetje te stroomlijnen heb ik besloten twee ‘spreekuren’ te houden, en wel op:
woensdag 18 mei van 13.00 tot 15.30 uur
donderdag 2 juni van 13.00 tot 15.30 uur
Voorlopig is de locatie hiervoor kamer 11 A -18 van het Hoofdgebouw, maar wellicht dat ik nog een andere ruimte zoek.
Voor al uw stijl- en andere hulpvragen kunt u zich aanmelden op schrijverVU@xs4all.nl.
AANVULLING:
Vanuit meerdere kanten bereikt mij de vraag of ik uitsluitend spreekuur houd over schrijven en stijl. Het antwoord is: men moogt mij alles vragen, maar mijn scheikunde en kennis van kernfusie is een beetje roestig.
De onderstaande column schreef ik voor de Volkskrant, op 10 februari 2011, toen alles nog anders was in Egypte. Die middag had ik bij prof. Leo Huberts een gastcollege gegeven over leiderschap. Mijn inleidster was dr. Karin Lasthuizen.
***
Aáááárghhh, daar gaan we weer. De column die ik vanmiddag voor deze plek heb geschreven - over onze Nationale Geblondeerde Grootidioot met zijn zoveelste eruptie van stupiditeit - kan de prullenbak in. Aan het eind van de middag belde mijn vrouw met het bericht dat de Egyptische leider Mubarak ‘wellicht eventueel mogelijk zo min of meer goed als zeker vanavond of morgen gaat aftreden’.
Toen ik de aankondiging hoorde bevond ik mij in een collegezaal van de Amsterdamse Vrije Universiteit, waar ik als ‘Schrijver Op Locatie’ zojuist een praatje had gehouden over het verschil in leiderschap van de twee topkoks Jonnie Boer en Sergio Herman. Het gastcollege was georganiseerd door de vakgroep Bestuurswetenschappen, een onderzoeksterrein dat mij eerlijk gezegd onbekend was, hoewel ik natuurlijk had kunnen vermoeden dat er wereldwijd ongelooflijk veel over ‘leiderschap’ wordt nagedacht.
Mijn voorbeelden over de chefs Boer en Herman, die beiden op geheel eigen wijze drie Michelinsterren bij elkaar hebben gekookt, werden door een professor en een hoofddocent publiekelijk in een academisch kader geplaats (altijd aangenaam als wat ik onwetend van de vigerende theorieën bij elkaar heb zitten ratelen, wetenschappelijk blijkt te kloppen).
Enfin, dat was vanmiddag, toen ik mijn column voor vandaag al had ingeleverd. Inmiddels is het half tien en ben ik net als miljoenen op aarde voor mijn tv aan het wachten op een toespraak die later vanavond live op de Egyptische staatstelevisie zal worden uitgezonden. Volgens de geruchten gaat president Mubarak al dan niet vertellen wanneer hij met pensioen gaat (er valt veel over zijn arbeidsethos te zeggen, maar als in Nederland iedereen tot zijn 83ste zou blijven werken zou dat heel veel problemen oplossen).
Met een schuin oog op de verwachtingsvolle massa op het inmiddels beroemdste plein ter wereld bestudeer ik het materiaal dat ik vanmiddag heb meegeroofd van de VU. Een van de definities die steeds opduikelt komt van de Engelse professor Alan Bryman: ‘Leiderschap is een proces van sociale beïnvloeding, waarbij een leider leden van een groep naar een doel stuurt’ (1992).
Er blijken – ik wist het echt niet – transactionele leiders en transformationele leiders. Een transactionele leider is sterk overtuigd van zichzelf, hij is waakzaam, houdt anderen goed in de gaten en vertelt zijn ondergeschikten wat ze moeten doen. Zijn stijl van leidinggeven is hard en zakelijk. Oftewel ‘de angstleider’. Oftewel Louis van Gaal.
Een transformationele leider is charismatisch en heeft een tot de verbeelding sprekende innerlijke motivatie. Hij probeert zijn volgers zo te stimuleren dat zij boven verwachting gaan presteren. De stijl van leidinggeven is persoonlijk, warm en inspirerend. Oftewel ‘de vriendschapsleider’. Oftewel Barack Obama.
Vragen die de wetenschap stelt zijn: kun je leiderschap leren? Welk type leiderschap is beter? Wat is de rol van ethiek bij leiderschap? Met 300 studenten hebben we vanmiddag verschillende leiders doorgenomen: Julius Caesar, Kim Jong Il, Berlusconi, Klaas Bruinsma, Stalin, Mao, Hitler, de Nationale Geblondeerde Grootidioot en zelfs de profeet Mohammed.
Dom genoeg lieten we met z’n allen het leiderschap van Mubarak onbesproken. Mubarak lijkt me een prototype van een standvastige transactionele hufter. Terwijl ik dit schrijf is namelijk zijn toespraak net begonnen, en zojuist heeft hij - geloof ik - aangekondigd dat hij niet per direct plaatsmaakt voor een transformationele leider met een mooi doel voor Egypte. Aáááárghhh, daar gaan we weer!
Het is vandaag maandag 7 maart, ik ben alweer ruim een maand bezig als Schrijver Op Locatie. Inmiddels heb ik veel bijzondere mensen leren kennen, gebouwen gezien, gesprekken gevoerd en college gegeven.
Een van de eerste dingen die iemand tegen mij zei was dat de VU ‘de eerste echte zwarte universiteit van Nederland is’. Ik ken een paar andere universiteiten, maar niet goed genoeg om te weten of dit waar is. Feit is dat in de basale laag van de opperhuid van de VU-studenten de aanmaak van melanocyten in het stratum germinativum (de kiemlaag) een prettig gevarieerd beeld geeft.
Laat mij beginnen met een herinnering aan reis die ik jaren geleden maakte naar Portugal. Ik raakte verzeild in Coimbra, een van de oudste universiteitssteden van Europa. Waar Lissabon een lichtelijk vervlogen grandeur uitstraalde, ademde Coimbra geschiedenis en kennis. De op een heuvel gebouwde binnenstad is niet groot, maar er zal niet snel een plek te vinden zijn waar op zo'n kleine ruimte zoveel faculteiten, bibliotheken, kerken en andere fraaie bouwwerken staan.
Ik weet niet of ik direct moet beginnen met een kritische noot, maar ik vind dat men in Coimbra waardiger is omgegaan met het begrip ‘universiteit’ dan bij ons. Zelf heb ik in Utrecht gestudeerd, op de Uithof, in een gebouw dat qua troosteloosheid wedijvert met het hoofdgebouw van de VU.
In Coimbra stonden, toen ik er halverwege de jaren negentig was, alle faculteiten nog broederlijk bij elkaar in een grote cour d'intelligence, een forum intellectuale. Er hing de sfeer van de eeuwenoude tradities der wetenschap, niet die van studiefinanciering, tempobeurzen, DDR-achtige wanhoopsgebouwen en studenteninspraakorganen.
Alles leek in Coimbra om de universiteit te draaien. Door de straten liepen in zwarte gewaden geklede studenten (met dezelfde schoonheid, dezelfde verwachtingsvolle koppen als bij ons), overal stonden borden met honderden foto's van jaarclubs & disputen, en zelfs de graffiti op de muren was van een beschaafdheid die je destijds in Leiden of Utrecht niet snel zou aantreffen. Op de medische faculteit stond bijvoorbeeld haastig gekalkt: 'Vivomos para estudar, estudar para explorar', een zinnetje dat ik overschreef om ooit nog eens te kunnen gebruiken. Bij dezen. Vrij vertaald: leef om te studeren, studeer om te ontdekken.
Daar heb je op zich geen fraai gebouw voor nodig, maar het voegt wel wat toe.