[Aan het einde van deze blog vind je de link voor het bijbehorende filmpje op YouTube]
Het is dinsdag en filmer Peter Wollring en ik staan al vroeg voor de deur van VU-archivarissen Victor Brilleman en Hugo van Kinschot, twee zachtmoedige mannen in truien die respectievelijk het recente en het oude archief bewaren en bewaken. We zijn gekomen om de kroonjuwelen van de universiteit te filmen. De oprichtingsakte wil ik zien. Tenminste, dat zei ik een week of wat geleden, maar het bleek als snel dat er van zoiets geen sprake is. Geen gekalligrafeerd perkament met sierlijke initialen in rode inkt, geen waszegels en linten. Eigenlijk is het er helemaal niets.
Niets?
Als we in het kantoor van de archivarissen staan, blijkt er toch iets te zijn. De notulen van de allereerste bijeenkomst zijn opgevist, het kasboekje van het eerste VU-jaar (voor 6 gulden aan pennen en inkt), de bekendmaking in de staatscourant, de lijst met eerste donateurs.
‘Dus dit zijn de schatten,’ zeg ik.
Ja ja, daar kunnen de archivarissen het wel mee eens zijn.
‘En waar bevinden deze stukken zich normaal?’
We lopen het kantoor uit, een gang door. We gaan een dienstlift in en dalen af naar de kelder. Daar lopen we weer een paar gangen door, in wat rustig een doodse stilte genoemd mag worden. Niets dan muren van celbeton blokken en de ene na de andere zware stalen deur. Achter een van die deuren ligt het oude archief, opgeborgen en gerangschikt in wat de vakman ‘Amsterdammertjes’ noemt, zuurvrije dozen die oorspronkelijk voor het stedelijk archief zijn ontwikkeld. We passeren een paar rekken om uit te komen bij een oud kastje dat de ingangskaartjes bevat voor het alleroudste deel van het archief. Dan pakt Hugo van Kinschot een doos uit een van de rekken en toont het ons.
Later die ochtend trekken Peter en ik naar boven om het portret van Kuijper te zoeken. Maar we vinden niets. Dat de VU met nogal bescheiden met haar wortels omgaat, dat begrijp ik nog wel, maar de oprichter? Ik schiet een aantal mensen aan, maar niemand weet of en waar een portret dan wel beeld van Kuijper is. Een paar studenten weten zelfs niet eens over wie ik het heb. Uiteindelijk komen we iemand tegen die zich meent te herinneren dat er ‘boven, bij de aula’ een borstbeeld staat.
Het is nog even zoeken, maar uiteindelijk vinden we de oprichter, een tikje uit de loop, omringd door tafels en klapstoelen die nog moeten worden opgeruimd, half achter een plant.
Is dat teveel, is dat te ostentatief voor onze Hollandse soberheid, een borstbeeld in wit albast? Het is waar, wij hebben een moeizame verhouding tot standbeelden en dat zal ook wel reden zijn waarom we nauwelijks goede pleinen hebben in Nederland. Want een goed plein kent meestal een kern in de vorm van een fontein of een beeld. Onze helden zijn dijkbewakers, stichters van scholen en zakenmannen die met vooruitziende blik kanalen lieten aanleggen. Geen generaals, revolutionairen, martiale vorsten, grote kunstenaars. Of toch, ik herinner me het standbeeld van Tollens, in het park onder de Rotterdamse Euromast. Hij staat er behoorlijk prominent, maar lijkt er desondanks niet toe te doen. Ik heb wel eens aan passerende wandelaars gevraagd of ze wisten wie dat was, maar er was er niet één die op de juiste naam kwam, laat staan dat iemand wist wat hij had geschreven.
Goed, dat nationale ongemak als het gaat om grootheid en het grootste, dat heeft wel iets. Maar je vraagt je toch af waarom die hal van de VU er uit ziet als ‘overal’.
Later die dag gaan we filmen in wat ‘de kerkzaal’ heet. Het is een ruimte met een deels schuin dak, waarschijnlijk als referentie aan kerken. We hebben de zaal voor twee uur moeten huren, want geheel tegen onze verwachtingen in blijkt de zaal niet altijd open te zijn, laat staan gebruikt te worden. Hoewel er een orgeltje is en de beiaardier er zijn speelpositie heeft, is het een gewone zaal die ingezet kan worden voor lezingen en symposia. De regels vereisen dat het gebruik financieel op de juiste manier wordt afgewikkeld.
Voor het zover is worden we echter ontruimd. In de grote hal zet een brandweerman een rookapparaat aan en binnen vijf minuten kun je geen hand voor ogen meer zien. Er klinken alarmsignalen en veiligheidsbeambten, plotseling belangrijk geworden, drijven ons het gebouw uit. Buiten is het koud en het duurt even voor we er achter komen dat er ‘opvang’ is in een ander gebouw. Daar is het dringen voor de ‘hulpverlenerskoffie’ en staan we te praten over het materiaal dat we die ochtend hebben gefilmd.
Als we later eindelijk in die kerkzaal staan en naar beneden kijken, overzien we het bezit van de VU. Hier, vanaf de hoogste verdieping, kijken we neer op wat tot de duurste vierkante meters van Amsterdam wordt gerekend. In de verte zwaaien de kranen boven de kantoortorens, vrachtwagens rijden af en aan. De heldere winterlucht steekt scherp af tegen al die bedrijvigheid.
‘Dit is het hart van het kapitaal,’ zeg ik tegen Peter. ‘En hier, op deze strategische plek, staat de VU, op grond die goud waard is.’
Er zijn waarschijnlijk investeerders die een arm willen missen voor een stukje VU-terrein. Dat weten de bestuurders van de universiteit ook. Ze hebben enorme bouwplannen aangekondigd en zijn al bezig om de VU in de richting te sturen van verbintenissen en allianties met omliggende multinationals. Het is merkwaardig om te bedenken dat uitgerekend een van de meest introspectieve en ideologisch gemotiveerde universiteiten zich plotseling in dit web van handel en vooruitgang en 21ste-eeuwse dadendrang bevindt. Het verschil met de beginjaren, toen de oprichters in een zaaltje in Utrecht bijeenkwamen en voorafgaand aan de vergadering Psalm 23 (De Heer is mijn herder) zongen, kan niet groter zijn.
Ik ben benieuwd hoe de overgang van de ene naar de andere wereld verloopt.
Comments