Toen ik bij warm weer op het binnenplein zat te werken, vroeg ik mij ineens af of de bètastudenten nu aan de betonnen tafels zitten langs het wis- en natuurkunde gebouw en de alfa’s aan de houten picknicktafels bij het hoofdgebouw. Ik had een vaag vermoeden van wel, maar omdat ik opzag tegen het Jehovagetuigen-gehalte van statistisch onderzoek (Goedemorgen, ik ben schrijver op locatie aan de VU, maar ik u een vraag stellen?) heb ik het er bij gelaten.
Maar ik moet zeggen dat de vraag me fascineert. Niet vanwege de aankleding van dat plein (want die is er niet: aankleding), maar omdat ik een week of wat daarvoor sprak met iemand van de bètafaculteiten. Ik legde een kennismakingsbezoek af en al bij binnenkomst merkte ik dat mijn lichaam alert werd. Mijn zintuigen bespeurden een onmiskenbare verandering ten opzichte van het hoofdgebouw. Wat was het? Geur? Kleur? Geluid? Het duurde even voordat ik er uit was.
De studenten die hier door de gangen liepen waren anders gekleed. De gangen zelf waren anders. Het gebouw ademde een mengeling van werklust en een soort lol die ik onmiddellijk herkende als ‘bèta’. Vraag me niet wat het is, maar als zoon van een werktuigbouwkundige herken ik dat. Een andere wereld.
Tijdens mijn gesprek bespeurde ik al gauw dat de afstand tussen het wis- en natuurkundegebouw groter is dan de paar honderd passen die het mij had gekost om het plein over te steken. Er was sprake van ‘wij’ en ‘zij’, zonder veel negativiteit overigens, maar wel in het vermoeden dat east is east and west is west and the twain shall never meet.
Kijk, dat snap ik wel. Ik mag dan schrijver zijn en dientengevolge beschouwd worden als het soort alfa dat nauwelijks in staat is zijn veters te strikken, laat staan iets te weten over golf-deeltje dualiteit, maar ik ben wel de zoon van een ingenieur. Ik ben grootgebracht met techniek, met de onophoudelijke vraag hoe de fysieke wereld in elkaar zit en het idee dat achter alles een logische verklaring schuilgaat. Nu is dat laatste op veel terreinen een jammerlijke misvatting, maar als het gaat om appels die uit bomen vallen en water dat verdampt, klopt het. Ik wil maar zeggen: ik ben een bastaard, een beetje van dit en een beetje van dat.
Ik begrijp die kloof tussen alfa’s en bèta’s dus, hoewel ik tegelijkertijd denk dat er veel te winnen is als men eens af en toe naar de overkant keek. Er zijn bijvoorbeeld veel meer alfa’s dan je zou denken die van techniek houden. En ik ken vrij veel bèta’s die gedichten schrijven of schilderen. Astronoom Vincent Icke is een goed voorbeeld. Hij studeerde nog niet zo verschrikkelijk lang geleden af als beeldend kunstenaar aan de Rietveld Academie. En columnist en journalist Henk Hofland is een alfa met een grote passie voor geknutsel en gesleutel. Hij heeft er zelfs meermalen over geschreven. Zijn uit blikjes, elastiek en touwtjes gemaakte zelfbewegers zijn beroemd. Schrijver Gerrit Krol is misschien wel de beste mengeling van alfa en bèta. Hij werkt een leven lang als wiskundige voor de Shell, maar schreef ook een leven lang prachtige romans.
Waar zitten ze op dat plein, de alfa’s en de bèta’s? Door elkaar? Het lijkt me haast niet. Bèta aan beton en alfa aan hout? Het ligt zo voor de hand dat het haast wel waar moet zijn. Zouden er wel eens mensen heen en weer lopen?
Misschien, bedachten mijn gesprekspartner in het wis- en natuurkundegebouw en ik, moeten we een bonte avond over alfa’s en bèta’s organiseren. Een avond met dichtende bèta’s en denkende alfa’s. En dans na. En dan misschien in een tent op dat plein. Halverwege.
Comments