Nadere kennismaking met een eilandenrijk

http://www.youtube.com/watch?v=B6pVQYlhIpM

Alfa, bèta of alfa-bèta?

Toen ik bij warm weer op het binnenplein zat te werken, vroeg ik mij ineens af of de bètastudenten nu aan de betonnen tafels zitten langs het wis- en natuurkunde gebouw en de alfa’s aan de houten picknicktafels bij het hoofdgebouw. Ik had een vaag vermoeden van wel, maar omdat ik opzag tegen het Jehovagetuigen-gehalte van statistisch onderzoek (Goedemorgen, ik ben schrijver op locatie aan de VU, maar ik u een vraag stellen?) heb ik het er bij gelaten.

Maar ik moet zeggen dat de vraag me fascineert. Niet vanwege de aankleding van dat plein (want die is er niet: aankleding), maar omdat ik een week of wat daarvoor sprak met iemand van de bètafaculteiten. Ik legde een kennismakingsbezoek af en al bij binnenkomst merkte ik dat mijn lichaam alert werd. Mijn zintuigen bespeurden een onmiskenbare verandering ten opzichte van het hoofdgebouw. Wat was het? Geur? Kleur? Geluid? Het duurde even voordat ik er uit was.

De studenten die hier door de gangen liepen waren anders gekleed. De gangen zelf waren anders. Het gebouw ademde een mengeling van werklust en een soort lol die ik onmiddellijk herkende als ‘bèta’. Vraag me niet wat het is, maar als zoon van een werktuigbouwkundige herken ik dat. Een andere wereld.

Tijdens mijn gesprek bespeurde ik al gauw dat de afstand tussen het wis- en natuurkundegebouw groter is dan de paar honderd passen die het mij had gekost om het plein over te steken. Er was sprake van ‘wij’ en ‘zij’, zonder veel negativiteit overigens, maar wel in het vermoeden dat east is east and west is west and the twain shall never meet.

Kijk, dat snap ik wel. Ik mag dan schrijver zijn en dientengevolge beschouwd worden als het soort alfa dat nauwelijks in staat is zijn veters te strikken, laat staan iets te weten over golf-deeltje dualiteit, maar ik ben wel de zoon van een ingenieur. Ik ben grootgebracht met techniek, met de onophoudelijke vraag hoe de fysieke wereld in elkaar zit en het idee dat achter alles een logische verklaring schuilgaat. Nu is dat laatste op veel terreinen een jammerlijke misvatting, maar als het gaat om appels die uit bomen vallen en water dat verdampt, klopt het. Ik wil maar zeggen: ik ben een bastaard, een beetje van dit en een beetje van dat.

Ik begrijp die kloof tussen alfa’s en bèta’s dus, hoewel ik tegelijkertijd denk dat er veel te winnen is als men eens af en toe naar de overkant keek. Er zijn bijvoorbeeld veel meer alfa’s dan je zou denken die van techniek houden. En ik ken vrij veel bèta’s die gedichten schrijven of schilderen. Astronoom Vincent Icke is een goed voorbeeld. Hij studeerde nog niet zo verschrikkelijk lang geleden af als beeldend kunstenaar aan de Rietveld Academie. En columnist en journalist Henk Hofland is een alfa met een grote passie voor geknutsel en gesleutel. Hij heeft er zelfs meermalen over geschreven. Zijn uit blikjes, elastiek en touwtjes gemaakte zelfbewegers zijn beroemd. Schrijver Gerrit Krol is misschien wel de beste mengeling van alfa en bèta. Hij werkt een leven lang als wiskundige voor de Shell, maar schreef ook een leven lang prachtige romans.

Waar zitten ze op dat plein, de alfa’s en de bèta’s? Door elkaar? Het lijkt me haast niet. Bèta aan beton en alfa aan hout? Het ligt zo voor de hand dat het haast wel waar moet zijn. Zouden er wel eens mensen heen en weer lopen?
Misschien, bedachten mijn gesprekspartner in het wis- en natuurkundegebouw en ik, moeten we een bonte avond over alfa’s en bèta’s organiseren. Een avond met dichtende bèta’s en denkende alfa’s. En dans na. En dan misschien in een tent op dat plein. Halverwege.

Buiten en binnen

Van beneden naar boven en terug

[Aan het einde van deze blog vind je de link voor het bijbehorende filmpje op YouTube]


Het is dinsdag en filmer Peter Wollring en ik staan al vroeg voor de deur van VU-archivarissen Victor Brilleman en Hugo van Kinschot, twee zachtmoedige mannen in truien die respectievelijk het recente en het oude archief bewaren en bewaken. We zijn gekomen om de kroonjuwelen van de universiteit te filmen. De oprichtingsakte wil ik zien. Tenminste, dat zei ik een week of wat geleden, maar het bleek als snel dat er van zoiets geen sprake is. Geen gekalligrafeerd perkament met sierlijke initialen in rode inkt, geen waszegels en linten. Eigenlijk is het er helemaal niets.

Niets?

Als we in het kantoor van de archivarissen staan, blijkt er toch iets te zijn. De notulen van de allereerste bijeenkomst zijn opgevist, het kasboekje van het eerste VU-jaar (voor 6 gulden aan pennen en inkt), de bekendmaking in de staatscourant, de lijst met eerste donateurs.

‘Dus dit zijn de schatten,’ zeg ik.

Ja ja, daar kunnen de archivarissen het wel mee eens zijn.

‘En waar bevinden deze stukken zich normaal?’

We lopen het kantoor uit, een gang door. We gaan een dienstlift in en dalen af naar de kelder. Daar lopen we weer een paar gangen door, in wat rustig een doodse stilte genoemd mag worden. Niets dan muren van celbeton blokken en de ene na de andere zware stalen deur. Achter een van die deuren ligt het oude archief, opgeborgen en gerangschikt in wat de vakman ‘Amsterdammertjes’ noemt, zuurvrije dozen die oorspronkelijk voor het stedelijk archief zijn ontwikkeld. We passeren een paar rekken om uit te komen bij een oud kastje dat de ingangskaartjes bevat voor het alleroudste deel van het archief. Dan pakt Hugo van Kinschot een doos uit een van de rekken en toont het ons.


Later die ochtend trekken Peter en ik naar boven om het portret van Kuijper te zoeken. Maar we vinden niets. Dat de VU met nogal bescheiden met haar wortels omgaat, dat begrijp ik nog wel, maar de oprichter? Ik schiet een aantal mensen aan, maar niemand weet of en waar een portret dan wel beeld van Kuijper is. Een paar studenten weten zelfs niet eens over wie ik het heb. Uiteindelijk komen we iemand tegen die zich meent te herinneren dat er ‘boven, bij de aula’ een borstbeeld staat.

Het is nog even zoeken, maar uiteindelijk vinden we de oprichter, een tikje uit de loop, omringd door tafels en klapstoelen die nog moeten worden opgeruimd, half achter een plant.

Is dat teveel, is dat te ostentatief voor onze Hollandse soberheid, een borstbeeld in wit albast? Het is waar, wij hebben een moeizame verhouding tot standbeelden en dat zal ook wel reden zijn waarom we nauwelijks goede pleinen hebben in Nederland. Want een goed plein kent meestal een kern in de vorm van een fontein of een beeld. Onze helden zijn dijkbewakers, stichters van scholen en zakenmannen die met vooruitziende blik kanalen lieten aanleggen. Geen generaals, revolutionairen, martiale vorsten, grote kunstenaars. Of toch, ik herinner me het standbeeld van Tollens, in het park onder de Rotterdamse Euromast. Hij staat er behoorlijk prominent, maar lijkt er desondanks niet toe te doen. Ik heb wel eens aan passerende wandelaars gevraagd of ze wisten wie dat was, maar er was er niet één die op de juiste naam kwam, laat staan dat iemand wist wat hij had geschreven.

Goed, dat nationale ongemak als het gaat om grootheid en het grootste, dat heeft wel iets. Maar je vraagt je toch af waarom die hal van de VU er uit ziet als ‘overal’.


Later die dag gaan we filmen in wat ‘de kerkzaal’ heet. Het is een ruimte met een deels schuin dak, waarschijnlijk als referentie aan kerken. We hebben de zaal voor twee uur moeten huren, want geheel tegen onze verwachtingen in blijkt de zaal niet altijd open te zijn, laat staan gebruikt te worden. Hoewel er een orgeltje is en de beiaardier er zijn speelpositie heeft, is het een gewone zaal die ingezet kan worden voor lezingen en symposia. De regels vereisen dat het gebruik financieel op de juiste manier wordt afgewikkeld.

Voor het zover is worden we echter ontruimd. In de grote hal zet een brandweerman een rookapparaat aan en binnen vijf minuten kun je geen hand voor ogen meer zien. Er klinken alarmsignalen en veiligheidsbeambten, plotseling belangrijk geworden, drijven ons het gebouw uit. Buiten is het koud en het duurt even voor we er achter komen dat er ‘opvang’ is in een ander gebouw. Daar is het dringen voor de ‘hulpverlenerskoffie’ en staan we te praten over het materiaal dat we die ochtend hebben gefilmd.

Als we later eindelijk in die kerkzaal staan en naar beneden kijken, overzien we het bezit van de VU. Hier, vanaf de hoogste verdieping, kijken we neer op wat tot de duurste vierkante meters van Amsterdam wordt gerekend. In de verte zwaaien de kranen boven de kantoortorens, vrachtwagens rijden af en aan. De heldere winterlucht steekt scherp af tegen al die bedrijvigheid.

‘Dit is het hart van het kapitaal,’ zeg ik tegen Peter. ‘En hier, op deze strategische plek, staat de VU, op grond die goud waard is.’

Er zijn waarschijnlijk investeerders die een arm willen missen voor een stukje VU-terrein. Dat weten de bestuurders van de universiteit ook. Ze hebben enorme bouwplannen aangekondigd en zijn al bezig om de VU in de richting te sturen van verbintenissen en allianties met omliggende multinationals. Het is merkwaardig om te bedenken dat uitgerekend een van de meest introspectieve en ideologisch gemotiveerde universiteiten zich plotseling in dit web van handel en vooruitgang en 21ste-eeuwse dadendrang bevindt. Het verschil met de beginjaren, toen de oprichters in een zaaltje in Utrecht bijeenkwamen en voorafgaand aan de vergadering Psalm 23 (De Heer is mijn herder) zongen, kan niet groter zijn.

Ik ben benieuwd hoe de overgang van de ene naar de andere wereld verloopt.

Leugenaar

Eerste werkdag als schrijver op locatie en onmiddellijk een boete in de trein wegens drie minuten te vroeg reizen, zo’n dikke mist dat het raam wel een grijs vel papier lijkt en een pseudo-relletje in Ad Valvas.

Hm. Omineus.

Ad Valvas rept in een stukje over oud zeer van mij en laat daar Nico Drok op reageren. Hij was in de jaren tachtig directeur van de Christelijke School voor Journalistiek in Kampen. (Ja, Kampen.)

Oud, dat is het wel. Zeer? Mwah... Nee.

Ooit ben ik gevraagd om op die school journalistieke technieken te doceren, maar na anderhalve maand kwam het bestuur erachter dat de nieuwe docent joods was. Op een mooie vrijdagmiddag heeft toen de voorzitter van dat bestuur, mijnheer Herstel (ook nog voorzitter van de NCRV in die verzuilde dagen), mij uitgelegd dat het mij zouden laten gaan na de proefperiode. Vanwege die... eh... ‘joodse achtergrond’.

‘Denkt u dat ik met rare pakjes aan door de gangen ga lopen?’ vroeg ik. (Dat deden de studenten, want midden jaren was punk nog steeds hip in Kampen.)

Nee, dat dacht hij niet.

‘Denkt u dat ik ze zal corrumperen met “joodse denkbeelden”?’

Nee, het ging om de geest van de school, de christelijke geest.

‘Ik geef journalistieke techniek,’ zei ik. ‘Wat is daar christelijk aan? Of denkt u dat er zoiets bestaat als een joodse bijzin?’

‘Mijnheer Möring,’ zei mijnheer Herstel. ‘Het is niets persoonlijks. Sommige van mijn beste vrienden zijn joods.’

Toen ben ik opgestaan. Ik ben de school uitgelopen en naar het station gegaan. Ik heb nog één keer achterom gekeken, daar op het perron. De vele kerktorens van Kampen prikten in de novemberlucht. Ik dacht: hier kom ik nooit meer terug.

Kampen. Sindsdien heb ik er nooit meer aan gedacht.

Maar nu beweert Nico Drok (we waren hem al bijna vergeten) in Ad Valvas dat het bestuur mij destijds helemaal niet kwijt wilde vanwege mijn joodse achtergrond.

Nico, toch... Mag je liegen van je moeder? Mag je dat van je geloof? Ben je ineens vergeten dat hetzelfde bestuur een paar jaar eerder een directielid ontsloeg toen ze lesbisch bleek? En, Nico, je nam mij niet aan, zoals jij beweert, omdat ik een tijdschriftenachtergrond had (want die had ik niet, bovendien zat er al iemand uit die hoek), maar omdat ik stukjes voor kranten schreef. Ik zei toen nog dat ik joods was en vroeg je of dat geen probleem zou opleveren. ‘Natuuuuurlijk niet,’ antwoordde je, ‘ben je gek?’

Nico, is het premature Alzheimer, die vergeetachtigheid? Of is het gewoon plezieriger om je lafheid niet te onthouden?