Lianne

24-11-08

Op bezoek bij K. Michel

Op het naambordje aan het Oosterpark staat gewoon Michel Kuijpers, niet K. Michel. We bellen aan en even later gaat een zoemer. Ad Zuiderent duwt de klemmende voordeur open en daar gaan we, op naar derde verdieping. Op de laatste trap ligt een fleurige traploper. En op de onderste trede van die trap worden we verwelkomd door een vuisthoog beeldje van een ezel of een kameel. Boven aangekomen schudt mijn voorgangster een hand die vanuit de deurpost lijkt te komen. Even later schud ik ook de hand van K. Michel en groet Marcel Möring die op het balkon een sigaretje staat te roken.



Mogen we foto’s maken tijden het gesprek? Het gesprek opnemen voor een verslag? Ja hoor, je doet maar. K. Michel kijkt vrolijk en onbekommerd om zich heen.


Iemand vraagt waar K. Michel zijn inspiratie vandaan haalt. ‘Dat gebeurt gewoon af en toe eens,’ is het nuchtere antwoord. Gelukkig wil hij ons wel vertellen hoe dat dan af en toe eens gebeurt. ‘Ik begin gewoon iedere morgen met lezen, aantekeningen maken, oude aantekeningen lezen. Ik ben altijd wel ergens mee bezig, dus ik kan ook altijd wel ergens mee verder.’ Hij staat op en haalt een collegedictaat te voorschijn en legt het open op tafel.

‘Kijk hier, dit mogen jullie niet lezen hoor, want ik ben er nog mee bezig, maar hier begon ik, en daar (blader, blader) ging ik weer verder en daarna (blader, blader, blader) hier weer verder.’ K. Michel wijst op verschillende tekstblokken in zijn schrift. Het gebeurt wel eens dat ik na maanden mijn aantekeningen herlees en dat een zin dan ineens een bepaalde glans heeft gekregen. Of dat ik twee zinnen van verschillende pagina’s ineens bij elkaar vindt passen. Zo verzamel ik woorden, zinnen en ideeën. Vervolgens ga ik ze uittypen. En dan maak ik versie na versie na versie om uiteindelijk tot de juiste versie te komen.

‘Wanneer is een gedicht dan af?’ vraagt een ander.

‘Op een gegeven moment heb ik voldoende inhoud, dan heeft een gedicht voldoende body. De rode draad, een bepaald idee, heb ik dan te pakken. Ik kijk of er nog wat gedraaid kan worden in de uitwerking van dat idee. Daaruit komen al die versies ook voort. Maar het is net als bij appels en peren, als ze zwaar genoeg zijn, dan vallen ze van de boom. En eerlijk gezegd ben ik het dan ook zat. Maar er zijn ook gedichten die nooit af komen.’

‘Heb je dan het gevoel dat ze aan je blijven trekken?’ vraagt Marcel Möring.

‘Ja, ik heb een soort prikbord in mijn hoofd van dingen die ik perse ooit eens wil gebruiken. Maar er is ook veel materiaal dat ik verzamel en nooit gebruik. Alsof je een grote vrachtwagen vol tomaten hebt. Als je gaat pureren houd je maar een half kopje over.’

Dat is dus wat er uiteindelijk in zijn bundels terecht komt. Over het resultaat van zijn noeste arbeid, dat halve kopje puree, hebben we het nauwelijks gehad. Ik vind zijn bundel Kleur de schaduwen echt heel goed. Verrassend divers, lollig, flauw, lief, sprookjesachtig, ach, eigenlijk moet je gedichten niet proberen te beschrijven, je moet ze gewoon lezen.

(Op www.digidicht.nl heeft K. Michel een aantal gedichten in bewegende vorm gezet.)

6-10-08

Bezoek aan Ariëlla Kornmehl

We zijn een beetje te vroeg deze week. In een straatje vlakbij het huis van Ariëlle Kornmehl staan we wat te kletsen voor we aanbellen. Marcel Möring is er deze keer niet bij wegens ziekte. Dat is erg jammer, want hij kent haar goed. Hij heeft haar geholpen bij het schrijven van haar debuut ‘Huize Goldwasser’ en ook bij haar tweede roman ‘De Vlindermaand’, die wij allemaal gelezen hebben. Het zou wel interessant zijn om van beide schrijvers te horen hoe hun samenwerking is geweest tijdens het tot stand komen van deze romans.


Een kwartier later zitten we in de keuken om de tafel met Ariëlla Kornmehl. Ze zit aan het hoofd, met een aantal vertalingen van ‘De Vlindermaand’ voor zich op een stapel. Na enkele vragen ontstaat al gauw een soepel gesprek, waarin vraag en antwoord elkaar op heel natuurlijke wijze afwisselen.


Ariëlla Kornmehl vertelt ons hoe het is gekomen dat ze romans schrijft. Ze heeft filosofie gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens het schrijven van haar afstudeerscriptie kreeg ze steeds de opmerking dat haar scriptie geen roman moest worden, maar een wetenschappelijk werk. De professor bij wie ze afstudeerde, stuurde haar dan ook weg toen ze hem vertelde dat ze bij hem wilde promoveren. Ze moest over een jaar maar terugkomen met haar eerste roman. En dat is gebeurd. ‘Huize Goldwasser’ is het gevolg van de afwijzing. En daarna kwam ‘De Vlindermaand’ en nu is ze alweer bezig met haar derde roman.


In Kornmehls romans kom je veel korte zinnen tegen, die de meest tragische gebeurtenissen koel, maar indringend weergeven. Tijdens het college ter voorbereiding van het huisbezoek beschreef Marcel Möring het effect van deze schrijfstijl ongeveer zo: je voelt je betrokken bij de personages doordat intieme gedachten, gevoelens en gebeurtenissen heel helder beschreven worden. Tegelijkertijd heb je het gevoel dat je door een glazen wand kijkt. Je kunt er niet echt bij en je hebt er ook geen grip op. Het is een tegenstelling die de romans boeiend maken.


Het is dezelfde tegenstelling als die ik bij Ariëlla Kornmehl proef, deze middag. Ik zie een vriendelijke en warme vrouw die ons zeer gastvrij onthaalt. Het gesprek verloopt heel vlot, haar antwoorden zijn openhartig. Toch vertelt Kornmehl dat ze het gelukkigst is als ze in haar werkkamer zit te lezen en te schrijven en verder niks hoeft te doen. En wanneer ze haar dochter naar zwemles brengt, zit ze aan de kant in haar uppie een boek te lezen, terwijl de andere moeders met elkaar zitten te kletsen. Ze lijkt gemakkelijk benaderbaar, maar blijkbaar houdt ze toch ook graag afstand. Het is eenzelfde soort tegenstelling tussen dichtbij en veraf die ook in haar boeken tot uitdrukking komt.


Dit laatste is misschien echt alleen mijn eigen interpretatie, ik weet het niet. Het viel me gewoon op. Het is wel iets wat een schrijvershuisbezoek voor mij interessant maakt: de persoon achter een roman leren kennen. En het liefst zoek ik dan naar iets in de auteur dat ook terug te vinden is in het werk van de auteur.

Op bezoek bij Oek de Jong

Daar sta ik dan ineens, in een achterhuis aan de Keizersgracht en schud de hand van een bekende Nederlandse schrijver. Een medestudent en ik zijn samen met onze docent Ad Zuiderent binnengelaten door Marcel Möring. ‘Dag, Oek de Jong’, zegt hij. Hij loenst een beetje. ‘Hallo, Lianne Broekman’, stel ik mezelf voor. Er zijn ook een fotograaf en een verslaggever van de Ad Valvas aanwezig. We stellen ons allemaal voor aan elkaar.
Daarna moeten we nog even wachten op de zeven overige studenten die vanuit de VU nog onderweg zijn. (‘Kutstudenten!’, zei Marcel Möring toen hij hoorde dat een aantal studenten wat later zou komen. ‘Hoe moeilijk kan het zijn om gewoon op tijd te komen?’ Tsja, die ironie..) Ze hebben vertraging omdat een tram defect is. Niks aan te doen.


Ondertussen heb ik tijd om eens even rond te kijken. Ik sta in een ruime vierhoekige kamer met drie ramen die uitkijken op een rustige binnentuin. Op de vloer ligt parket in visgraatmotief. Tegen twee wanden staan boekenkasten, vol boeken, soms tot boven op de kast tussen de balken in het plafond. Her en der tegen de boeken staan foto’s en ansichtkaarten. Tussen de boekenkasten staat een mooie ouderwetse piano, opengeslagen, met mooi houtsnijwerk en twee kandelaars. Op de piano staan foto’s, schilderijtjes en erboven hangt een grote spiegel met een goudkleurige lijst. Er is ook een schouw die geflankeerd wordt door bordeaux gemarmerde ionische zuilen. Op de schoorsteenmantel staan weer allerlei voorwerpen: een oranje vaas, een ouderwets klokje met gewichten, een schaal waarop een inktvis is geschilderd tussen wier en een houten doosje met ingelegd hout. In de hoek naast de voordeur is een smal houten wenteltrapje naar boven. Wat zou er boven zijn? Keuken, badkamer, slaapkamer, gok ik. The usual.


Als we later allemaal aan tafel zitten, mogen we Oek de Jong het hemd van het lijf vragen. Eerst komen wat algemene vragen aan de orde over waarom hij ons wel wilde ontvangen en waarom hij schrijft en hoe hij schrijft. Later komen de specifiekere vragen over zijn boek ‘Hokwerda’s kind’, dat wij allemaal gelezen hebben voor deze gelegenheid.


Het meest interessante antwoord kwam op de meest simpele vraag: ‘Waarom schrijft u?’ Iedere schrijver zal die vraag ongetwijfeld duizend keer gesteld worden. Toch geeft Oek de Jong er een heel serieus en mooi antwoord op. Hij vertelt rustig en bedachtzaam over zijn reden tot schrijven.


Bij de vraag moet hij terugdenken aan toen hij ongeveer vijftien was. Hij woonde in Goes en schreef daar zijn eerste verhaal, waardoor hij het schrijven ontdekt heeft. In Zeeland, bij Domburg, staan de welbekende paalhoofden, rijen palen die vanaf het strand een eind de zee in staan. Op een avond is hij een verhaal gaan schrijven over die paalhoofden. Gewoon op basis van een beeld dat in hem op kwam.


Een jongeman zit in kleermakerszit op zo’n paal terwijl het water langzaam opkomt. Om hem heen zwemmen kwallen. Aan wal is een groot hotel waar een feest gaande is en waar zijn vrienden ook zijn. Er is een spanning in het verhaal doordat de jongen ergens ook wel naar het feest wil, maar toch op die paal blijft zitten waar de kwallen omheen zwemmen.


Tijdens het schrijven ontdekte Oek de Jong dat je als schrijver afhankelijk bent van de beelden die onbewust in je opkomen. Je bent wel regisseur van je verhaal en je weet hoe je het op kunt schrijven, maar de beelden, die komen zoals ze komen. Dat proces is hij interessant gaan vinden toen hij over de jongen op de paalhoofden schreef. En dat fascineert hem nu nog steeds, wanneer hij schrijft.


Marcel Möring voegt hieraan toe dat hij het soort dilemma, zoals dat van de jongen op de paalhoofden, ook in andere boeken van Oek de Jong is tegengekomen. Veel schrijvers hebben dat, een soort van oerverhaal in hun werk. Oek bevestigt dat. Het dilemma van de paalhoofden is zijn oerverhaal.

Schrijvershuisbezoeken

Marcel Möring en Ad Zuiderent (docent moderne Nederlandse Letterkunde) verzorgen de collegereeks ‘Schrijvershuisbezoeken’. Een stuk of negen studenten volgen deze colleges. En omdat ik Möring-watcher ben voor deze blog, moet ik er natuurlijk ook bij zijn. Dat is absoluut geen straf overigens. Integendeel. De colleges geven me inspiratie en ze zorgen voor een aangenaam ritme in mijn weken, terwijl ik bezig ben met de laatste loodjes van mijn bachelor Nederlands.

Van echte colleges kun je haast niet spreken overigens, want de helft van de tijd zitten we gemoedelijk bij een schrijver thuis te kletsen. We stellen al onze nieuwsgierige vragen onder het genot van een kopje koffie of thee met iets lekkers. Het zijn een soort pretcolleges.

De schrijvers die we bezoeken zijn: Oek de Jong, Ariëlla Kornmehl, K. Michel en Marja Brouwers. Mocht je nog nooit van deze schrijvers gehoord hebben, geen nood, want ik houd je op de hoogte van onze bezoeken.

23-9-08

Kennis is een soort van bezit

Wat is het nut van de Letteren? Wat is het nut van een studie volgen op de Letterenfaculteit? Stel je jezelf wel eens dit soort vragen? Ik als letterenstudent zeker. En wel vaker dan een keer. Ik ben namelijk helemaal niet zo overtuigd van het nut van de Letteren. Leuk is het, dat wel. Ik houd van taal en communicatie en van zowat alles wat met de Letteren te maken heeft. Maar als mensen me vragen wat ik later met mijn studie Nederlands wil gaan doen, sta ik nogal eens met een mond vol tanden. Nee, ik wil geen docent worden. Maar wat kun je er dan mee? Nou ja, heel veel. En dan kan ik allerlei beroepen gaan opsommen. Vermoeiend vind ik dat. Tegenwoordig zeg ik daarom (en ook om die tandeloze mond wat te verbergen) dat ik ‘overal waar taal is’ kan gaan werken. En dan mogen ze zelf gaan nadenken waar dat kan zijn.

Tijdens de facultaire opening van dit studiejaar heeft Marcel Möring een toespraak gehouden. Zijn eerste woorden waren: ‘Kennis is een soort van bezit.’ Je begrijpt nu wel dat ik mijn oren spitste toen hij zo begon. Zou hij nu in mooie woorden gaan vertellen wat het nut is van kennis, van kennis van de Letteren? Zou onze enige echte schrijver op locatie mij kunnen overtuigen van het nut van een studie aan de Letterenfaculteit?

Kennisverwerving heeft iets onbaatzuchtigs, vindt Möring. Kennis mag nooit een statussymbool worden. Bij werkelijke kennis gaat het om kennis omwille van het weten. Wat je daar in het openbaar mee doet, is niet relevant. Maar wat hebben we aan kennis die men in onze maatschappij wel als nuttig beschouwt? Wat heb je aan technieken die het mogelijk maken om elkaar van nog grotere afstand nog effectiever dood te maken? Hebben we echt zoveel aan allerlei economische inzichten? En wat hebben we aan nanotechnologie? De conclusie is duidelijk: deze kennis is ook niet echt nuttig. Het nut ligt enkel in de kennis zelf, want het doel van werkelijke kennis is kennis.

De hele toespraak van Marcel Möring raakt aan iets wat ik eigenlijk al wist: je leeft voor jezelf. Dat is niet egoïstisch, het betekent alleen dat je als autonoom individu je eigen keuzes maakt en je leven invult zoals je dat zelf wil. Je geeft zelf een doel en zin aan het leven. Een studie in de Letteren kan daarin een nuttige invulling zijn. Wat een fijne bevestiging, zo aan het begin van een studiejaar.

(De tekst van Marcel Mörings lezing wordt begin oktober als vouwblad toegezonden aan alle studenten Letteren onder de titel: ‘Minnaars van kennis’.)

Het resultaat van de zoektocht

Hier is een mooie samenvatting te vinden van Macel Mörings ontdekkingsreis door het eilandenrijk van de VU: http://nl.youtube.com/watch?v=B6pVQYlhIpM

21-5-08

Staartje van de zoektocht

Vandaag het staartje van de zoektocht. Na ja, niet echt het staartje, want Marcel Möring gaat vast nog verder met zijn zoektocht, maar wel het einde van een reeks interviews met vertegenwoordigers van verschillende studie- en studentenverenigingen. Vandaag spreekt Marcel met de vice-voorzitter van Anatolia. Een schone dame, mag ik wel zeggen, onberispelijk en zonnig (maar ik zeg het vooral omdat ik het niet kan laten, vanwege ‘vice-’).


Een duck-out op de sportvelden tegenover de VU is het decor van de actie. Marcel en de dame zitten erin, filmer Peter Wollring staat ervoor met zijn filmapparaat en ik sta een beetje aan de zijkant met mijn bloknootje. Het spektakel kan beginnen en het begint ook, maar ik kan spijtig genoeg haast niets verstaan. Er is nogal wat lawaai op de sportvelden. Je hoort aan alle kanten auto’s en bussen en voortdurend doffe dreunen van het slaan op heipalen. Het lijkt wel alsof de hele Zuidas doorboord moet worden voor alle grootse plannen die er zijn. Erg onrustig. En behalve dat komt er elke vijf minuten een vliegtuig over in een golf van donker geraas, waardoor er af en toe even gepauzeerd moet worden.


Ik vind het erg jammer dat ik weinig kan verstaan, want ik ben nogal nieuwsgierig naar wat iemand van een Turkse studentenvereniging te vertellen heeft. Alleen wat flarden bereiken mijn oor. De dame vertelt dat Anatolia een brug vormt naar het bedrijfsleven. Veel bedrijven zijn geïnteresseerd in allochtone werknemers. Waarom weet ze niet precies, maar het is zo. Misschien willen ze een afspiegeling van de huidige maatschappij in huis hebben? Hoe dan ook, bedrijven weten Anatolia te vinden.


De vereniging biedt ook veel gezelligheid, een gevoel van ‘onder ons’ aan studenten van verschillende nationaliteiten. Er worden verschillende feestelijke bijeenkomsten georganiseerd, zoals een kerstdiner en het suikerfeest. Naast feestelijkheden organiseert de vereniging ook serieuze bijeenkomsten. Laatst was er bijvoorbeeld een avond over Jezus. En dan denk je misschien: Jee.. Maar echt, over Jezus. Het was een groot succes, met sprekers van verschillende disciplines. Iedereen kon vanuit zijn eigen invalshoek over het onderwerp meepraten en iedereen wilde ook erg graag meepraten. Om tien uur was het afgelopen, maar iedereen bleef met elkaar in gesprek, over dat zo bekende onderwerp waar toch haast niemand zich openlijk over uit durft te laten. Dat is nog eens een staaltje omgaan met diversiteit en waardenpluralisme!


Iets anders dat mijn oor kan bereiken, betreft deze vice-voorzitter zelf. Ze vertelt dat ze Koerdisch is, maar wel in Nederland is geboren en dat ze graag iets wil betekenen voor de Nederlandse maatschappij. Zo heeft ze bijvoorbeeld als vrijwilliger maatschappijleer gegeven. Gewoon, om een steentje bij te dragen.


Na het gesprek mogen we in de ‘lounge’ van Anatolia kijken, een kamer op de begane grond in het wis- en natuurkundegebouw. Het is een gezellige ruimte, fris en kleurrijk. Was de hele VU maar zo. We krijgen een glaasje drinken aangeboden, dat van achter een gordijn uit een keukentje getoverd wordt. Het is maar een glaasje water, omdat we dat het liefst wilden, maar zo’n glaasje water is heerlijk wanneer het in oprechte gastvrijheid op een dienblad aan je gegeven wordt. Ik ben, net als vorige keer, onder de indruk van de betrokkenheid van de studenten. En ik begrijp wel waarom bedrijven allochtone werknemers willen. Volgens mij zijn de allochtonen meer betrokken bij de Nederlandse samenleving dan veel autochtonen.

8-5-08

Verder onderzoek

Vandaag ga ik met Marcel Möring en filmer Peter Wollring mee om een aantal bestuursleden van verschillende studentenorganisaties te interviewen. Eerst spreekt Marcel met de praeses (voorzitter) van het VU corps. Een jongen in een smoezelig pak en stropdas, zwarte leren schoenen die vers bespat zijn met doorweekte bierfiltprut, halflang vet haar, bloeddoorlopen ogen en een rauwe stem. Hij verkoopt een opvallend braaf praatje. Het corps is een studentengezelligheidsvereniging waar het niet alleen om zuipen gaat (denk nog even aan de bloeddoorlopen ogen), maar waar studenten ook opgeleid worden, bijvoorbeeld tijdens debatingavonden. Abraham Kuyper speelt niet echt een rol binnen de vereniging, al weet hij wel wie het is.

Nee, het is belangrijk om je juist open te stellen en je niet krampachtig vast te houden aan je grondslagen. Je verliest daarmee geen identiteit. De achtergrond van de VU kan hem niet echt schelen. Die tijd is voorbij, zegt hij. Goed, bedankt voor het gesprek.


Ik was eerst ook van mening dat de achtergrond van de VU en van de mensen op de VU niet belangrijk is. Daar ben ik inmiddels van teruggekomen. Maar wacht, ik was nog niet klaar. Ik kom hier aan het eind op terug.


Na de student van het corps spreken we iemand van de SRVU en daarna iemand van de Regiegroep Diversiteit. Het zijn beiden pittige meiden die erg betrokken zijn bij de VU en ook inhoudelijk goed weten waar ze het over hebben. Ik vind vooral het verhaal over de Regiegroep Diversiteit interessant. Ik wist helemaal niet dat er problemen zijn met de diversiteit van studenten en docenten. En al helemaal niet dat er al een orgaan is dat zich bezig houdt met diversiteit. De regiegroep bedenkt oplossingen voor heel concrete problemen, maar ze hebben ook een meer idealistisch doel: dat studenten zich meer bewust worden van de diversiteit op de VU en dat ze zich meer gaan openstellen voor studenten die er anders zijn.


Natuurlijk is diversiteit niet iets dat alleen op de VU problemen geeft, het is iets waar de hele Nederlandse maatschappij mee te maken heeft. Marcel vraagt dan ook of de regiegroep niet iets aan het oplappen is dat eigenlijk een maatschappelijk probleem is. Ja, dat is wel zo, zegt de studente, maar we kunnen ook zélf dingen veranderen en dat kan vervolgens de maatschappij veranderen. Want de mensen die van de VU komen, die gaan de maatschappij in. Het bedrijfleven zit erg te springen om mensen die met diversiteit weten om te gaan. Bovendien heeft de verandering van de VU nu al invloed op andere universiteiten.


En nu terug naar mijn eigen houding ten opzichte van verschillende achtergronden en diversiteit. Ik was vanmorgen een student die gewoon in zichzelf investeert door middel van een universitaire studie. De achtergrond van de VU en van de mensen om me heen, het deed er allemaal niet zo toe. De oprichtingsdocumenten van de VU en oprichter Abraham Kuyper vind ik nog steeds niet heel erg belangrijk. Maar de waarden van het gereformeerde gezelschap dat de VU stichtte, vind ik wel belangrijk. De degelijkheid, de goede organisatie, het goede onderwijsaanbod, dat zijn kwaliteiten die bijna iedereen aan de VU toeschrijft. En dat zijn toch dingen waar iedereen rekening mee houdt bij het kiezen van zijn universiteit?


Over diversiteit wist ik gewoon haast niks. Binnen de Letterenfaculteit is weinig diversiteit, dus ik word er niet zo mee geconfronteerd en mijn blik reikte gewoon niet veel verder dan mijn eigen faculteit. Maar als je dan hoort welke problemen er zoal zijn door de diversiteit en wat daaraan gedaan wordt, dan denk je toch: zo, we zijn goed bezig hier aan de zuidas.

Vanavond ben ik dus ineens een student die toch eigenlijk best trots is dat ze nu juist op de VU zit en niet ergens anders.


Het filmpje komt binnenkort op de weblog van Marcel Möring te staan. Komt het zien!

24-4-08

Zoektocht

In de weblog van Marcel Möring, ‘Van boven naar beneden en terug’, kunnen we zien en lezen hoe Marcel samen met filmer Peter Wollring op zoek gaat naar de wortels van de VU. Ze gaan langs bij de archivarissen in de kelder om de oprichtingsakte te bekijken, ze gaan op zoek naar het borstbeeld van Abraham Kuyper en ten slotte gaan ze naar de kerkzaal van de VU.


En daar, in de kerkzaal, houdt Marcel het slotpraatje van de film. Hij vertelt dat het hem opvalt dat er zo weinig identiteit is. Dat zijn Joodse identiteit in zijn omgeving wel telt, zoals die ook telt voor jonge Marokkanen, jonge Turken en jonge Surinamers. Maar dat het blijkbaar voor gereformeerden en andere christelijke studenten, de kleine luiden van weleer, niet meer geldt. Althans, dat zeggen ze zelf. ‘Maar daar geloof ik geen donder van,’ voegt hij er fel aan toe. Hoe het precies zit, dat gaat hij dit jaar haarfijn uitzoeken.


Toen ik alles gezien en gelezen had, de weblog met het filmpje, voelde ik me boos. Wat is dat nu voor onzin, dacht ik, er is geen identiteit… Voor mij heeft de VU wel degelijk identiteit, maar dan vooral om wat de VU nú is, niet om de oprichting of de gereformeerde achtergrond. Mij laat het volkomen koud of iemand nu Turks, Joods, christelijk of boeddhistisch of wat dan ook is. Ik hecht meer belang aan de manier waarop iemand de wereld in kijkt en aan de waarden die iemand praktisch doorvoert in zijn leven. Daar zou Marcel Möring het toch over gaan hebben, waardenpluralisme?

4-4-08

'Dis' van Marcel Möring

Voor ik een boek ga lezen, ruik ik altijd even aan het papier en ik blader er losjes doorheen, op zoek naar plaatjes of andere opmerkelijke dingen. Een soort ritueel dat ik haast onwillekeurig volg. Zo heeft iedereen z'n rituelen. Ook bij het lezen van Dis, de laatste roman van Marcel Möring,  volg ik mijn ritueel. Het levert me heel wat op. Ik zie een aantal grijze pagina's waar een stripverhaal op staat, ik zie pagina's met ringen erop, waarvan er naar het einde toe steeds meer om elkaar heen staan. Ik zie een donkergrijze pagina waar witte woorden op gedwarreld zijn, ik zie in de voor- en in de achterflap een soort ingewikkeld schema staan, als geklieder op een schoolbord. Ik zie twee pagina's waar 'ooooh's' en 'aaah's' en 'doe het' en 'Nu Nu Nu' op staat, wat slaat op een orgasme van ene Antonia die ik nog niet ken. Maar die zal ik gauw leren kennen, want ik begin met lezen.

Het begint zo, in verkorte versie:

Een man komt als een smerige bruine mol uit een hol in het veen. Hij heeft daar tijdens de Tweede Wereldoorlog drie jaar in gezeten, drie jaar in een stinkend hol. Hij loopt half krom, de zon prikt hem in de ogen, zijn ogen wateren ervan, en hij heeft maar één gedachte: hij wil wraak. Hij wil het land wreken, de akker neuken, de eerste de beste rondborstige boerin tussen de voren gooien en haar in haar aars nemen. Hij wil als een wraakzuchtige zwarte gedaante het land platbranden.

Maar zo werkt het niet.

Dat staat er dan, als een rustpunt: Maar zo werkt het niet. Hèhè, even adem halen.
Daarna steelt de man uit het veen een fiets en hij fietst en hij fietst en hij fietst totdat hij na een hele tijd fietsen in Assen bij de oude schoenwinkel van zijn vader komt. De winkel blijkt ineens een boekhandel te zijn. De mol uit het veen, die Jacob Noach blijkt te heten, richt zijn pistool op de onrechtmatige eigenaar, en zo krijgt hij het voor elkaar dat die boekhandelaar in zijn broek plast en dat hij de winkel van z'n vader terug krijgt. In de jaren die volgen bouwt Jacob Noach vanuit die winkel een enorm winkelcentrum op. Hij trouwt, krijgt kinderen, wordt steenrijk, maar blijft alleen, erg alleen.

Aan het einde van het eerste hoofdstuk krijgt Jacob Noach een ongeluk en dan is hij dood. In de rest van het boek maak ik ook kennis met Marcus Kolpa, met Chaja en met Antonia (die van de ooooh's en aaaah's). Allemaal heel sterk neergezette personages. Toch blijft Jacob Noach voor het grootste gedeelte de hoofdrol spelen. Dat is dus nog een stuk of vierhonderd pagina's. Hij leeft voort als een soort schim tussen de levenden. Hij leeft in zijn eigen wereld, zijn eigen stad in de hel, Dis, maar hij kan er geen grip op krijgen. Hij kan geen contact krijgen met de mensen, behalve met een groepje schimmige lieden die op de bus naar Assen wachten. En met de jood van Assen, de wandelende jood.

Ik op mijn beurt heb er moeite mee om grip te krijgen op het boek, om alle losstaande en toch ook weer samenhangende delen te ordenen, te plaatsen in het geheel. Er staat zo ontzettend veel in, ik zie veel verwijzingen naar andere boeken en schrijvers. Ik denk trouwens niet dat ik alles hoef te begrijpen en alles serieus hoef te nemen. Gelukkig niet. Vooral met het stripverhaal heb ik het idee dat Marcel Möring me een knipoog geeft. Zo van: vat het niet te serieus op allemaal, zo is het niet bedoeld.