Helaas heb ik nog steeds geen nieuws uit Egypte vernomen over toegang tot Gaza.
...
Goed, nu we dat gehad hebben, kan ik wat vertellen over mijn onderzoek hier in de West Bank. Zoals ik al eerder schreef verblijf ik momenteel in het vluchtelingenkamp Askar, even buiten Nablus. Vanuit Nablus zijn alle steden en dorpjes in het noorden van de West Bank goed te bereiken, dus het is een goede uitvalsbasis, en het huis waar ik woon is erg prettig, vol met leuke en aardige mensen.
Vanochtend vertrok ik met Saed, mijn belangrijkste contactpersoon in Nablus, naar Qalqilya – een bijna volledig door de Muur omringde stad in het noordwesten van de West Bank. We gingen op bezoek bij Saeds broer Mahmoud (niet zijn echte naam), maar het was niet zomaar een gezellig familiebezoekje. Mahmoud werkt namelijk voor de mukhabarat, de veiligheidsdienst (zeg maar de Palestijnse CIA), en hij is dus een interessante bron voor mijn onderzoek. Na een half uurtje in een servicetaxi kwamen we aan in Qalqilya, maar tot mijn verbazing gingen we niet naar het plaatstelijke bureau van de mukhabarat in Qalqilya, maar namen we een taxi naar een dorpje even ten zuiden van de stad, waar Mahmoud woont.
Saed legde me uit dat zijn broer vijf jaar geleden per ongeluk in zijn rug was geschoten door een collega van een andere veiligheidsdienst en sindsdien vanaf zijn middel verlamd is*. Het weerhoudt hem er echter niet van om vanuit zijn huis te werken. Gewapend met twee telefoons gaat hij effectief te werk en weet hij veel potentiële conflicten te sussen en informatie in te winnen over in het geheim opererende groepen die aanvallen op de Palestijnse Autoriteit willen organiseren.
Na een kort bezoekje aan Saeds ouders arriveerden we bij het huis van Mahmoud. In de huiskamer troffen we hem aan in een bed, maar ondanks zijn beperking wekte hij een actieve en levendige indruk. Terwijl ik de ene na de andere vraag op hem afvuurde – hij spoorde me continu aan om door te vragen – gaf hij druk gebarend en de ene sigaret na de andere rokend antwoord, zonder gevoelige onderwerpen te vermijden. Politiek, veiligheid, vermeende corruptie, alles kwam aan bod.
Na het zeer interessante interview liep ik met Saed terug naar de doorgaande weg waar we eerder waren afgezet. In een dorp verderop zouden we opgepikt worden door een vriend die ons terug naar Nablus kon brengen. Terwijl we bij de weg stilstonden vroeg Saed me ineens enigszins verlegen of ik het erg zou vinden om misschien een stuk te lopen. Ik begreep zijn schroom eerlijk gezegd niet helemaal, want wat mij betreft was een wandeling geen probleem – het was tenslotte heerlijk weer – dus ik stemde enthousiast in.
Terwijl we langs de weg liepen, aan beide kanten(!) omgeven door de Muur, begon Saed te vertellen. “Weet je, vroeger liep ik met mijn klasgenootjes iedere dag langs deze weg. Alle huizen en gebouwen die je nu ziet waren er nog niet en overal stonden bomen vol met olijven, sinaasappels, mandarijnen, citroenen, het was fantastisch mooi. Onderweg snoepten we ieder wel 10 mandarijnen!”
Ik merkte dat hij, al pratend, licht geëmotioneerd begon te raken. “Vroeger was het zo eenvoudig. Toen stond de muur er nog niet en konden we gewoon Israël in. Kijk daar,” zegt hij terwijl hij naar links wijst. De wolkenkrabbers van Tel Aviv zijn duidelijk zichtbaar, bijna alsof je ze kan aanraken. “We hadden Israëlische vrienden en we gingen gewoon bij elkaar op bezoek. Zij kwamen hier en wij bij hun. Weet je, vroeger gingen we op ontdekkingstocht, dan liepen we met een groepje jongens naar een Israëlische nederzetting en dwaalden we door de straten. Geen probleem. Maar ja, de tweede intifada heeft alles veranderd, verpest. Vroeger was het misschien ook niet ideaal, maar de situatie verslechtert alleen maar. We hebben hier een gezegde, 'De dag van vandaag is beter dan die van morgen.'”
Halverwege de wandeling klampte Saed me opeens vast. Hij wees naar een plek, net achter het hekwerk van de Muur gelegen, en zei met een trilling in zijn stem, “Dat is mijn favoriete heuvel. Het voelt bijna alsof het mijn echtgenote is, begrijp je? Nu kan ik er alleen vanaf een afstandje naar kijken, aan de verkeerde kant van de muur. Dat doet pijn. Vroeger kwam ik daar bijna iedere dag. Dan ging ik zitten met wat drinken, om na te denken of gewoon om te genieten van het uitzicht. Die plek is me zo dierbaar. Toen ze begonnen met het bouwen van de Muur ben ik er gaan zitten met een kopje zwarte koffie om afscheid te nemen. Ik heb zitten huilen, echt waar, maar ik heb ook gezegd dat ik ooit nog eens terugkom.” Verrast door de emoties stamelde ik dat ik zeker wist dat hij er ooit nog eens zal zitten. Misschien niet morgen, maar er komt een tijd...
Zwijgend liepen we verder en eenmaal op onze bestemming aangekomen zei hij, wederom wat verlegen, alsof hij zich opgelaten voelde, “Martijn, bedankt dat je met me wilde lopen. Ik vind het zelf altijd erg fijn om dat te doen als ik hier ben. Denken aan de fijne herinneringen van vroeger. En dromend van een toekomst die net zo goed zal zijn.”
Ik legde een hand op z'n schouder en drukte hem op het hart dat ik het ook heel prettig vond. En dat was ook zo, want de zonovergoten wandeling door het mooie en rustige landschap had ook mij goed gedaan, en me weer even de realiteit laten zien. Als je continu bezig bent met politieke vraagstukken is het namelijk belangrijk om dit soort “kleine” verhalen niet te vergeten, want ze symboliseren op onovertroffen wijze de tragiek van het voortdurende conflict.
* Later vertelde Saed me overigens dat zijn broer waarschijnlijk toestemming krijgt om binnenkort naar Duitsland af te reizen, waar ze hem gaan opereren in de hoop dat hij daarna weer zal kunnen lopen. De kans op succes wordt positief ingeschat, dus dat is goed nieuws!
Laatste reacties